Politiek & Maatschappij

Zoektocht naar passend onderwijs voor iedereen

16 april 2021

Anke van Dam

Radicale onderwijshervorming in Bolivia en herwaardering inheemse volkeren

Onder de inheemse president Evo Morales heeft Bolivia een radicale onderwijshervorming doorgevoerd: meer nadruk op meertaligheid, interculturaliteit, dialoog, interactie en participatie van lokale gemeenschappen. Dat is een versterkte herwaardering van de talen en culturen van inheemse groepen. Naast successen zijn er ingewikkelde hobbels. Leraren zijn hiervoor vaak nog onvoldoende opgeleid of spreken de inheemse taal onvoldoende. En wat is de kwaliteit van het onderwijs? Ook begrijpt of deelt niet iedereen de Andesfilosofie van vivir bien, waardoor laagland inheemse groepen en Spaansprekenden zich niet altijd vertegenwoordigd voelen.(tekst gaat verder onder foto)

Bolivia kende lang weinig aandacht voor onderwijs voor rurale gebieden en inheemse volkeren. En als er scholen kwamen, waren daar de inheemse cultuur en taal buitengesloten. Onder druk van de inheemse groepen zelf is meer aandacht gekomen voor tweetalig onderwijs en zijn verschillende onderwijshervormingen doorgevoerd. Vaak bleef daarbij Spaans de hoofdtaal in het onderwijs. Als de eigen taal inheemse taal werd gebruikt, diende die slechts als vehikel om kinderen zo snel mogelijk in de ‘blanken-mestiezen-cultuur’ in te voeren. Vanaf 1980 leidde kritiek van voornamelijk inheemse intellectuelen tot het opzetten van kleinschalige programma’s van tweetalig en intercultureel onderwijs.

Inheemse taal en cultuur

Pas de landelijke onderwijshervorming van 1994 besteedde meer aandacht aan de cultuur, taal en identiteit van de verschillende inheemse groepen. Waar mogelijk werd de lokale taal in de eerste schoolklassen de instructietaal. Spaans kwam daarna geleidelijk en was aan het eind van de basisschool de meest gebruikte taal. Het onderwijs werd intercultureel, waarbij kennis over de verschillende culturen onderdeel moest uitmaken van de lesstof.

Deze hervorming was een belangrijke stap vooruit, omdat tweetaligheid en interculturaliteit integrale onderdelen en geen losse experimenten meer waren. Positief was de aandacht en het respect voor inheemse groepen, wat ook tot uiting kwam in de lesmaterialen. Die waren voor elk taalgebied verschillend en aangepast aan de leefomgeving van de kinderen. Ook gingen meer kinderen naar de basisschool en nam voortijdige schooluitval af. Daarmee was voor bijna alle kinderen toegang tot het basisonderwijs verzekerd.

Folkloristische thema’s

Er was ook kritiek op een aantal ideeën achter de hervorming en de manier waarop die werd uitgevoerd. De kwaliteit van het onderwijs liet te wensen over. Docenten waren nog onvoldoende voorbereid op een andere, interculturele manier van lesgeven en de lerarenopleidingen werden maar mondjesmaat aangepast. Het interculturele karakter bleef vaak steken in folkloristische thema’s, zoals kleding, dansen en feesten, waardoor cultuur veelal werd gepresenteerd op een statische, stereotype en traditionele manier. Inheemse culturen werden voorgesteld als ruraal en traditioneel en de mestieze cultuur als stedelijk en modern.

Er bestond alleen lesmateriaal in de talen van de grotere bevolkingsgroepen: Aymara, Quechua, Guaraní en Spaans. Daardoor moesten groepen – vooral inheemse volkeren in het laagland – met andere talen Spaanstalige lesmaterialen blijven gebruiken. Tweetalig onderwijs gold bovendien alleen voor de groepen die Spaans niet als moedertaal hadden; Spaanssprekende kinderen leerden dus geen inheemse taal. Daardoor bleven Spaans en de daarbij behorende culturele werelden uiteindelijk dominant. Dat was de taal voor iedereen en de samenleving als geheel werd niet meertalig.

Dekolonisatie van onderwijs

Met het aantreden van de inheemse president Evo Morales in 2006 van de MAS (Beweging naar het Socialisme) werd de onderwijshervorming uit 1994 in de ban gedaan als neoliberaal en te veel door de Spaanse mestiezenelite gedomineerd. Juist de kennis van de inheemse groepen moest in ere hersteld worden en het onderwijs gedekoloniseerd. In 2010 werd de nieuwe onderwijswet ‘Avelino Siñani – Elizardo Pérez’ (ASEP) aangenomen. Een van de belangrijkste principes daarvan is aandacht voor de eigen cultuur, uitwisseling tussen culturen en respect voor anderen. Daarnaast geldt nu meertaligheid waarbij iedereen een inheemse taal moet leren. Ook Engels is deel van het curriculum.

Dekoloniseren van het onderwijs betekent dat het onderwijs anti-imperialistisch en revolutionair moet zijn. De gemeenschap krijgt een belangrijke rol, waarmee een democratisch en participatief gericht onderwijs wordt nagestreefd. Zowel productiviteit (het belang van Moeder Aarde) als techniek en technologie zijn naast wetenschappelijke kennis onderdelen van het curriculum. De kwaliteit van het onderwijs wordt gekoppeld aan vivir bien. De lesstof omvat een gemeenschappelijk deel voor alle Boliviaanse kinderen en moet daarnaast regionaal worden ingevuld door docenten, ouders, inheemse wijze mensen – in de praktijk vooral mannen – en de gemeenschap.

Over-ambities

Deze lesmaterialen moeten ter plekke door docenten en de gemeenschap worden gemaakt. Daaruit blijkt dat lokale en vooral inheemse kennis heel belangrijk worden gevonden en daarmee de inheemse culturen geherwaardeerd. Maar aan deze lange lijst doelstellingen herkent men ook de over-ambities en de oververtegenwoordiging van de rurale wereld en met name de Andes wereld. Deze principes vielen dan ook niet overal in goede aarde. Niet-inheemse groepen vroegen zich af wat het nut was om een inheemse taal te leren in een urbaan gebied of hoe productiviteit met Moeder Aarde vorm zou moeten krijgen in de stad.

De nieuwe onderwijswet ASEP bouwt deels voort op de hervorming van 1994, maar slaat ook een andere weg in. Het gaat niet alleen om het leren herwaarderen van het inheemse eigene: de cultuur en taal. Ook op een respectvolle manier leren omgaan met ‘het andere’ en ‘de ander’ en een kritische houding ten opzichte van de eigen en andere culturen zijn belangrijke elementen van het onderwijs. De nadruk op interactie en kritisch leren denken – een ogenschijnlijk modern en ‘Westers onderwijs-ideaal’ – vraagt een totaal andere manier van lesgeven. De docenten waren gewend om klassikaal les te geven en kinderen te laten repeteren wat zij hadden gezegd. Nu wordt van hen gevraagd in debat te gaan met de leerlingen, gezamenlijk kennis te genereren en op te treden als facilitator. (tekst gaat verder onder foto)

Anders lesgeven

Docenten moeten daarin worden begeleid. Daarvoor worden de lerarenopleidingen herzien. De opleiding krijgt een universitair niveau (bachelor) en inheemse talen krijgen een belangrijke rol. Het curriculum omvat ook kennis van de nieuwe wet en daarbij behorende principes. Daarnaast is een bijscholingsprogramma opgezet voor docenten die al werkten op scholen, het PROFOCOM. Deze bijscholing heeft vooral een ideologisch karakter en laat de docenten kennis maken met de ideeën en principes van de hervorming, maar geeft niet veel praktische handvatten om deze ideeën ook in de praktijk te brengen.

Dit laatste is een van de redenen waarom de dagelijkse praktijk in de scholen nog niet fundamenteel is veranderd. Er is aandacht voor de inheemse taal en Engels en docenten doen hun best om op een andere manier les te geven, maar weten niet zo goed hoe dat te doen. Ook hebben veel docenten moeite met het maken van de eigen lesmaterialen, aangezien ze daar niet voor zijn opgeleid. De CEPOS (Onderwijsraden van de inheemse volkeren) hebben een belangrijke rol gespeeld in het ontwikkelen van de regionale curricula. Dit is een belangrijke steun voor de docenten, maar is niet voldoende.

‘Vooruitkomen’ in de maatschappij

Ingewikkeld is dat ouders vaak andere verwachtingen hebben van het onderwijs. Zij willen dat hun kinderen goed Spaans en Engels leren. Daarmee “kunnen ze vooruitkomen” in een maatschappij waarin de Spaanse en westerse oriëntatie domineert. De lokale taal wordt dan minder belangrijk gevonden, zeker in de steden waar kinderen inmiddels nauwelijks of geen inheemse taal meer spreken of kinderen in een klas verschillende moedertalen hebben.

De hervorming startte in 2010 en zou nu resultaten moeten kunnen laten zien, al heeft schoolsluiting door de Covid19-pandemie daarbij verstorend gewerkt. Een belangrijk en zichtbaar resultaat is niettemin de erkenning van culturele diversiteit en de meertaligheid in het onderwijs. Dit was al onderdeel van de eerdere hervorming, maar nu is er meer aandacht voor lokale kennis en inheemse talen worden erkend als officiële talen. Inheemse talen hebben een plek gekregen in het onderwijs én de samenleving. Alle ambtenaren en docenten zijn bijvoorbeeld verplicht een inheemse taal te leren en te gebruiken in hun communicatie met het publiek en de leerlingen; dat geeft een belangrijke impuls voor de eigenwaarde van de inheemse volkeren.

Samenwerking versus competitie

De toegang tot het onderwijs is verbeterd; het voltooien van zowel het basis als middelbaar onderwijs is toegenomen. Dit was al ingezet voor 2010, maar is versterkt en geconsolideerd. De infrastructuur – voornamelijk schoolgebouwen en sportaccommodaties – is sterk uitgebreid en verbeterd. Er zijn landelijke competities voor voornamelijk exacte vakken, waarbij de beste leerlingen per departement en op nationaal niveau worden geselecteerd. Dit is aan de ene kant een belangrijke stimulans voor leerlingen om te excelleren, maar aan de andere kant gaat het in tegen het principe van vivir bien, waar het juist gaat om samenwerken en dus concurrentie en competitie niet in passen.

Er zijn nog forse uitdagingen en problemen. Een radicaal andere manier van onderwijs kost tijd: van eenheid naar pluraliteit, van (holle) theorie naar relevantie, van vervreemding naar situering in cultuur en geschiedenis. Dat vraagt veel expertise, maar ook een mentaliteitsverandering. Via bijscholing en de nieuwe inrichting van de lerarenopleiding wordt geprobeerd dat te bewerkstelligen bij docenten. Maar docenten willen ook praktische handvatten en die ontbreken veelal.

Ook is weinig bekend over hoe de kwaliteit van het onderwijs er inmiddels voor staat. Bolivia doet niet mee aan de internationale vergelijkende testen van vijftienjarige leerlingen zoals PISA, wat vanuit de filosofie van de hervorming te rechtvaardigen is. Maar er zijn ook geen recente nationale gegevens bekend over kennis en competentieniveaus. Omdat er geen nationale test wordt afgenomen, is het vooralsnog onduidelijk wat kinderen uiteindelijk leren. Het nationale instituut dat zich bezighoudt met de kwaliteit van het onderwijs (OPCE) heeft criteria opgesteld om die kwaliteit te meten, maar dit heeft nog geen concrete gegevens opgeleverd.

   

Dit is mede veroorzaakt door het onderbreken van het onderwijs gedurende de pandemie. Bovendien is in het transitiejaar van de regering-Añez, tussen twee regeringen van de MAS, de onderwijshervorming nauwelijks verder gebracht. Dit geldt ook voor de lerarenopleiding. Er is nog steeds een groot tekort aan docenten die lokale talen spreken en daarin les kunnen geven. Dat speelt vooral bij de inheemse volkeren in de laaglanden.

Daarnaast: de principes van de hervorming zijn voor het overgrote deel gebaseerd op de Andesculturen als Aymara en Quechua. De ideeën achter vivir bien komen uit deze culturen en de kwaliteitscriteria zijn sterk gekoppeld aan de principes van vivir bien. Daardoor lijken ze minder relevant voor docenten en gemeenschappen buiten de Andesregio, die niet achter de ideologie van vivir bien staan of deze onvoldoende begrijpen. Toch zijn er opmerkelijk genoeg nauwelijks grote protesten geweest. Traditioneel begon het schooljaar met een staking van de docenten. Dit is tijdens de regering van Evo Morales niet meer voorgekomen. Veel is te danken aan de minister van onderwijs, Roberto Aguilar, die gedurende bijna de hele regeringsperiode van de MAS aan is gebleven en een goede relatie had met de onderwijsbonden.

Nu de MAS met president Luís Arce weer aan de macht is, moet de regering laten zien dat een radicale hervorming ook de kwaliteit ten goede komt en dat alle inheemse en niet-inheemse groepen zich bij de hervorming vertegenwoordigd voelen.

Deze bijdrage is onderdeel van de Bolivia Special (april-mei 2021)

Gerelateerde berichten

Een uniek historisch proces

Een uniek historisch proces

In een diepe politieke, sociaaleconomische en gezondheidscrisis met weinig vertrouwen in de instituties kiezen de Chilenen op 15 en 16 mei een Constitutionele Conventie. Dit gezelschap gaat een nieuwe grondwet ontwerpen. De Conventie zal meer vrouwen, inheemse bewoners, jongeren, niet-partijgebondenen en mensen zonder politieke ervaring tellen dan in de Chileense politiek gebruikelijk is. Een nieuwe grondwet kan een grondslag leggen voor een rechtvaardiger en democratischer Chili, maar dit unieke proces kan ook nog mislukken.

Lees meer
agsdi-globe

Politiek & Maatschappij

agsdi-portrait

Kunst & Cultuur

agsdi-camera

Vrije tijd & Toerisme

agsdi-income

Economie & Ondernemen

agsdi-leaves

Milieu en Natuur

agsdi-learn

Onderzoek & Wetenschap

Blijf op de hoogte

Adverteren op onze website?

Dat kan! Tegen een scherp tarief plaatsen wij uw advertentie.

Ontvang onze nieuwsbrief

Schrijf u in en ontvang onze digitale nieuwsbrief met een overzicht van onze nieuwe artikelen.

Volg ons op social media

Wees als eerste op de hoogte van nieuwe artikelen en deel artikelen met uw netwerk.

Share This