Politiek & Maatschappij

Van acceptatie naar verzet

12 april 2021

Pim Verhallen

Het Spaans-koloniaal bewind en de inheemse gemeenschappen in Bolivia (1530 – 1780)

De Spaanse kolonisatoren in het huidige Bolivia presenteerden zich naar de inheemse bevolking als opvolgers van de Inca-vorsten. Zij namen daarbij in het Incarijk bestaande tribuut- en werkverplichtingen van de bevolking over. Dat moest het Spaanse streven naar rijkdom en kerstening acceptabeler maken. Anders dan de Inca kenden de Spanjaarden echter geen wederkerigheid, waarbij die verplichtingen verbonden waren aan een staatsplicht tot bescherming van de bevolking. Dat ondermijnde de legitimiteit van het Spaanse bewind toen in de 18e eeuw de verplichtingen werden opgeschroefd en leidde tot opstanden die bloedig werden onderdrukt.

Het doel van de Spaanse kolonisatie in Zuid-Amerika was tweeledig: rijkdom verwerven voor de kroon en de kolonisten én kerstening van de lokale bevolking voor de Kerk. Paus Alexander VI had in 1493 de Spaanse aanspraak op de kolonies in de Nieuwe Wereld erkend op voorwaarde dat kerstening een hoofdtaak van de kolonie zou vormen. Bij de inval in Peru trokken soldaten en religieuzen dan ook steeds samen op. Rijkdom was te vinden in de aanspraak op goederen en diensten, maar vooral op arbeid van de inheemse bevolking. Kerstening veronderstelde de bereidheid van de inheemse gemeenschappen hun eigen geloofs- en ideeënwereld – vrijwillig of gedwongen – ‘in te ruilen’ voor die van de Spaanse christenen.

Rijkdom en kerstening

Dit samen optrekken van verwerven van rijkdom en kerstening was, al vanaf het begin, niet vrij van spanningen. Vanaf de bezetting van de Caribische eilanden, zoals Hispaniola (het tegenwoordige Haïti en de Dominicaanse Republiek), en Mexico bereikten steeds meer klachten de koning over de beroerde behandeling van inheemsen door de kolonisten én de wijze waarop de religieuzen zich kweten van hun kersteningstaak. In het verlengde daarvan moest de Spaanse koning de vraag beantwoorden of de inheemsen als slaven dan wel als vrije mensen behandeld dienden te worden. Karel I van Spanje – als Karel V bekend als Habsburgse keizer van het Heilig Roomse Rijk en in de Nederlandse geschiedenis -was het aan zijn stand verplicht dit vraagstuk op te lossen.

De uitdaging werd op scherp gezet door de Dominicaan Bartolomé de las Casas, die in 1541 de koning in Madrid een lange lijst van misstanden in diens nieuwe domeinen voorlegde. Zijn tekst werd in 1552 in Spanje gedrukt en vormde onbedoeld de basis van de zogenaamde Zwarte Legende over de verschrikkingen van het Spaanse koloniale bewind. In 1578 verscheen een Nederlandse vertaling (tussen 1579 en 1620 dertienmaal herdrukt onder de titel Spieghel der Spaenscher tirannije) die politiek goed van pas kwam in de Nederlandse strijd tegen de Spaanse overheersing. In 1542 kondigde de Spaanse koning wetten – de Leyes Nuevas – af die een einde moesten maken aan de slavernij en mishandeling van de inheemsen. Die werden beschouwd als vrije vazallen van de Spaanse koning en konden niet door de Inquisitie worden vervolgd en berecht. De uitvoering van deze wetten werd echter opgeschort tot 1570 en nog zeker vijftig jaar daarna bleven ze in de kolonie een dode letter.

Massale ontvolking

Recent onderzoek schat de bevolking van de hooglanden en andiene valleien van wat nu Peru en Bolivia zijn bij binnenkomst van de Spanjaarden rond 1530 op 6 tot 8 miljoen mensen. Deze komst luidde een demografische ramp voor deze bevolking in. In 1570 waren nog maar ongeveer 1,3 miljoen mensen over: het resultaat van nieuwe ziektes die met de Spanjaarden meegekomen waren, zoals mazelen, tyfus en pokken, én de gedwongen zware arbeid. Een andere belangrijke factor, tot voor kort onderschat, was van sociaalpsychologische aard: het diepgevoelde verlies van het religieuze wereldbeeld en de waardenpatronen door de vaak gewelddadige kersteningsinspanningen van de Spaanse clerus. Het opsporen en vernietigen van de mummies van eerdere Inca’s die als goden werden vereerd, rituele voorwerpen en cultusplaatsen nam vooral in de 17e eeuw een hoge vlucht. De opkomst van de ‘ziekte van de dans’, de Taki Onkoy, als eerste uiting van massaal verzet hield verband met het resulterende trauma.

De ontvolking ontging de koloniale overheid niet. De vijfde onderkoning van Peru met standplaats Lima, de hertog van Toledo, stelde in zijn kennismakingsreizen tussen 1570 tot 1575 door zijn territorium vast dat het steeds moeilijker werd tribuut, arbeid en diensten van de inheemse gemeenschappen te vorderen. Exploitatie van de zilvermijn in Potosí werd problematisch vanwege gebrek aan arbeiders. Toledo reageerde met diepingrijpende maatregelen voor de inheemse gemeenschappen. Ze werden gedwongen te verhuizen naar gecentraliseerde dorpen en verplicht ieder jaar een bepaald contingent arbeiders voor Potosí beschikbaar te stellen, de zogenaamde mita. Tribuut diende in het vervolg monetair te worden voldaan, terwijl baar geld in de kolonie bijzonder schaars was.

Als neveneffect van die gedwongen centralisatie in dorpen in Spaanse stijl (met plein, kerk en rollo, de strafpaal) kwam veel grond van de gemeenschappen beschikbaar voor de nieuwe generaties kolonisten. Dit vormde de oorsprong van de zeer ongelijke eigendomsverhoudingen in landbouwgrond met latifundios, die tot heden het beeld op het platteland van Bolivia (en in mindere mate Peru) bepaalt.

Koloniaal succes

Ondanks de demografische neergang bleven de Spanjaarden in dit uitgestrekte gebied – kolonisten, religieuzen dan wel bestuursambtenaren van de koning – de gehele koloniale periode getalsmatig een kleine minderheid tegenover de indiaanse bevolking. Anders dan in bijvoorbeeld Chili beschikten de Spanjaarden in Peru/Bolivia niet over een staande militie. De onderkoning in Lima kon in tijden van spanning alleen maar rekenen op burgermilities. Hij kon zijn beleid ten opzichte van de inheemse groepen dus niet gewapenderhand opleggen. In Chili was dat fundamenteel anders; daar hadden de kolonisatoren, maar ook diens Inca- voorgangers, te maken met effectief gewapend guerrillaverzet van de Araucanos, de Mapuches.

De koloniale macht beïnvloedde diep en vaak gewelddadig het dagelijks leven en de religieus-culturele identiteit van de gekoloniseerde gemeenschappen. Waarom werd dat door de inheemse gemeenschappen getolereerd en hoe valt te verklaren dat pas laat in de koloniale periode sterk, ook gewapend, verzet tegen de Spanjaarden ontstond?

Het antwoord op die vraag hangt samen met het beleid en de methodes van de Spaanse kolonisatoren om, met minimale dwang, hun doelen te realiseren. Hun methodes om in Peru/Bolivia rijkdom te verwerven voor de Kroon én de kolonisten was duidelijk succesvol. Gedurende het koningschap van vooral Karel I/Karel V en Filips II hebben de staat en/of de koning zelf sterk geprofiteerd van deze kolonie. De enorme zilverproductie van Potosí (en de Mexicaanse zilvermijnen) stelde hen in staat oorlogen te voeren en de enorme schulden daarvoor af te lossen. Vele individuele kolonisten hebben, in Spanje dan wel in de kolonie, dynastieën gevestigd op basis van de hier verworven rijkdom. Op papier zou ook de kerstening succesvol genoemd kunnen worden. Bolivia en Peru zijn tegenwoordig immers katholieke samenlevingen, ware het niet dat de Andesbevolking een succesvol, syncretisch antwoord op het door de Spaanse kerk ingebracht geloofssysteem ontwikkelde.

Spanjaarden als nieuwe Inca

Bij aankomst van de Spanjaarden was de expansie van het Incarijk, met de assimilatie van de Aymara volkeren rond en ten zuiden van het Titicacameer, min of meer voltooid. Dat betekende dat de Aymara en andere etnische groepen van de hoogvlakte, zoals de Urus, en die van de interandiene valleien gewend waren aan een centraal geleide, sterk hiërarchische en autoritaire staat. Het Incarijk kende een systeem van individuele dienstbaarheid en verplichtingen van de bevolking aan de staat. Dat was de basis waarop arbeid en productie van allerlei aard verschuldigd en opeisbaar was. Het rijk was ook zó georganiseerd en ingericht dat tot op het individuele niveau via plaatselijke leiders, de curacas, werd vastgesteld wat iemand verplicht was te leveren als tribuut.

Al vroegtijdig waren Spaanse onderzoekers, zoals Cieza de León in 1550, bij de laatste nog levende Incabestuurders hun licht gaan opsteken, en ze hebben hun inzichten over het functioneren van het Incarijk opgeschreven. Bij hun kennismaking op lokaal niveau hadden Spaanse kolonisatoren al het bestaan van een regionale Inca-bureaucratie, een fijnmazig wegennet, een centrale voedselopslag en een verfijnd boekhoudsysteem opgemerkt. Bij deze ‘visitas’, kennismakings- en inventarisatiebezoeken, was hen ook de quipu opgevallen. Dat was de boekhouding op basis van een knopenpatroon van verplichtingen van de leden van een gemeenschap én de mate waarin zij hun tribuut ook daadwerkelijk hadden geleverd.

De voordelen van een aanpassing van dit beheerssysteem, waarbij niet meer de Inca maar de Spaanse koning als zijn opvolger in diens koningschap recht had op deze diensten en betalingen in natura, spraken vanzelf. Zolang deze goederen en diensten naar aard en waarde vergelijkbaar waren aan wat de Inca vroeger had vastgelegd, waren de gemeenschappen, in ruil voor erkenning van hun aanspraken op de communale gronden, bereid het systeem te blijven eerbiedigen. Dat gold ook voor de nieuwe verplichting als gevolg van de aanwezigheid in de gemeenschap van een priester-missionaris; die moest door de gemeenschap worden onderhouden.

Pas veel later begreep de Spaanse kolonisator dat de Inca-staat tegenover de verplichtingen van de burger ook verplichtingen aan de burger erkende. Bij droogte en hongersnood, regelmatige verschijnselen op de droge en koude hoogvlakte, garandeerde de Inca distributie van levensmiddelen uit de centrale opslagplaatsen. Een dergelijke wederkerigheid hadden de gemeenschappen van de kolonisator niet te verwachten.

Succesvolle rechtszaken

Naast het tribuut legde de Inca ook een verplichting op tot het leveren van arbeid voor de projecten van de staat, zoals wegenbouw. Rond 1550 begon, mede door de ontvolking, arbeid voor de zilvermijn in Potosí schaars te worden. De onderkoning, de hertog van Toledo kondigde twintig jaar later de mita af, een arbeidsverplichting voor achttien etnische gemeenschappen, merendeels Aymara rond en ten zuiden van het Titicacameer. Deze gemeenschappen moesten gezamenlijk ieder jaar bijna vijfduizend arbeiders naar Potosí sturen. De bestuurlijke verantwoordelijkheid werd bij de Audiencia van Charcas, het huidige Sucre, gelegd. De curaca’s, traditionele hoofden van deze gemeenschappen, moesten zorgen voor het vervullen van die verplichting. De tegenprestatie was het kwijtschelden van hun tribuut-verplichting.

Vaak onder protest hebben deze gemeenschappen deze verplichting, die leidde tot verlies van hun eigen arbeidsreserve, tot ver in de 18e eeuw geaccepteerd. Tegelijkertijd begrepen de curaca’s steeds beter dat de Spaanse rechtspraak ook voor hen, als vazallen van de koning openstond, zij het op een kier. Als de belangen van de gemeenschappen evident leden onder de mita (veel mitayos keerden bijvoorbeeld nooit terug uit de hel van Potosí) aarzelden zij niet om bij de Audiencia in Charcas beroep aan te tekenen. Daarbij werden ze ondersteund door de Protector de Indios (Beschermer van de Indianen), een aan de Audiencia toegevoegde advocaat die de gemeenschappen bijstond bij juridische conflicten met het Spaanse bestuur of tussen gemeenschappen onderling. Sommige curaca’s, zoals die van Pacajes verwierven faam op basis van hun vaardigheid succesvol te interveniëren bij de Audiencia om de mita-last te verlichten. Bundels van hun brieven en pleitnota’s bevinden zich in het Spaans-koloniaal archief in Sevilla.

Systeem van verplichtingen loopt vast

De maatregelen waarbij een nog beperkt surplus van de gemeenschappen werd ‘afgeroomd’ ten behoeve van de kolonisator en waarin de gemeenschappen minstens theoretisch enige rechtsbescherming genoten, functioneerde enige tijd redelijk. De demografische neergang en het vaak blijvende vertrek van mannen in de tribuut-plichtige leeftijd naar Potosí betekenden dat steeds minder mensen in de gemeenschappen dezelfde waarde aan tribuut moesten opbrengen; er werd dus steeds wat méér dan het surplus van de gemeenschappen opgeëist.

Onderkoning Toledo had in 1575 bepaald dat de tribuut in baar geld en niet meer in natura diende te worden betaald. In de 16e en 17e eeuw was muntgeld schaars en werd het bovendien zelden vertrouwd door de gangbare corruptie van de munt; zilver werd steeds meer door goedkopere metalen vervangen. Tribuut werd dus nog lang in natura betaald, maar eind 17e eeuw zochten de ‘ontvangers’ van dat surplus toch steeds meer een monetaire markt voor die goederen. Aangezien die nauwelijks bestond (Toledo had zich in 1572 al beklaagd dat op 40 kilometer van Lima geen baar geld meer was te vinden) verloren tribuut-goederen hun monetaire waarde en eisten de ontvangers steeds meer. De gemeenschappen moesten eerst hun producten in geld omzetten. Dat lukte alleen – en vaak met fors verlies – via ingewikkelde ruilhandel, verkoop van betaalde diensten en accepteren van ‘corrupte’ munten. Pas daarna konden ze aan hun monetaire tribuutverplichting voldoen.

Als reactie op de daardoor op gang gekomen protesten maakten de Spanjaarden de curaca’s, de leiders van inheemse gemeenschappen, verantwoordelijk voor de inning van dit monetaire tribuut. De inzet van de curaca’s als belastinginner voor de kolonisator leidde tot een ernstige verzwakking van het traditionele leiderschap en soms het uiteenvallen van gemeenschappen.

Meer bestuurders en hogere belastingen

Ná het einde van de Spaanse Successieoorlog in 1713 traden in Spanje koningen aan uit het Huis-Bourbon. Hun (merendeels Franse) adviseurs zochten naar wegen om de opbrengsten van de kolonies te vergroten. Ze voerden een herziening van de bestuurslagen in de kolonie door, via intendantschappen (departementen) en invoering van corregimientos (regionaal dan wel lokaal bestuur). Dat leidde tot een forse groei van het aantal regionale en lokale bestuurders en een scala aan nieuwe belastingen, accijnzen en douanerechten. Die werden vrijwel volledig op de inheemse bevolking afgewenteld. De gemeenschappen werden daardoor nog armer en steeds meer inheemsen vertrokken uit hun gemeenschappen om aan de druk van oude en nieuwe verplichtingen te ontkomen. Mannen in de tribuut-plichtige leeftijd konden zich buiten de eigen gemeenschap vestigen als yanacona (los arbeider) en waren dan niet meer tribuutplichtig.

De Spanjaarden beantwoorden de door dit alles opgeroepen spanningen met steeds meer bemoeienis met het eigen leven van de gemeenschappen door leiders aan te wijzen en hardere, fysieke straffen in te voeren. Ook de clerus droeg bij aan de oplopende spanning door steeds meer betaling te eisen voor kerkelijke rituelen zoals doop, trouwen en begrafenis.

Rond het midden van de 18e eeuw werden de tribuutafdrachten en allerlei andere verplichtingen steeds minder als legitiem beschouwd en ontstonden kleinere en grotere conflicten. Deze draaiden steeds sterker om de figuur en bevoegdheden van de corregidor. Deze functionaris moest toezien op de naleving van allerlei werk- en belastingverplichtingen van de gemeenschappen. Deze functie werd, zoals meer functies in deze periode, verkocht aan de hoogste bieder. Dus moest de winnaar, de nieuwe functionaris, zijn kosten terugverdienen over de rug van de inheemse gemeenschappen. Vrijwel alle corregidores inden de tribuutverplichtingen met steeds meer, ook fysieke, dwang. Ook een systeem van gedongen winkelnering zorgde voor grote spanningen; de corregidor kon de inheemsen verplichten goederen, vaak zonder enig concreet nut, zoals heiligenplaatjes, Spaanse boeken en dure textiel, boven de reële prijs van hem te kopen. Dat leidde tot permanente verschulding van de gemeenschappen ten opzichte van de corregidor.

Opstanden

De maat was vol voor de getergde hooglandgemeenschappen; al snel braken plaatselijke, vaak gewelddadige opstanden uit. Het zal, gezien het bovenstaande, geen verwondering wekken dat, toen het geduld was uitgeput, vooral corregidores het slachtoffer werden van het geweld. In 1780 organiseerden de broers Katari, uit de regio Chayanta, een opstand die uiteindelijk leidde tot een zes maanden durend beleg van de stad La Paz, vele doden en ernstige ontwrichting van de koloniale staat in Alto Peru. De opstand werd wreed beëindigd. Eerder was een opstand in de regio Cusco, georganiseerd door een nazaat van de laatste Inca’s, Túpac Amaru II, ook op bloedige wijze neergeslagen. Het koloniale systeem dat tot het begin van de achttiende eeuw bij de gemeenschappen een zekere acceptatie had verworven, liep op zijn einde.

Sommige onderzoekers zien in deze opstanden een eerste aanzet tot de strijd voor onafhankelijkheid in de regio van begin 19de eeuw. Dat lijkt echter niet waarschijnlijk. Onafhankelijkheid was vooral een twistpunt tussen Spanjaarden onderling; in Spanje geboren peninsulares hadden meer rechten dan in de kolonie geboren criollos. Vooral de criollos streefden naar onafhankelijkheid, terwijl de genoemde inheemse opstanden uitdrukkelijk het herstel van het ‘eigen’ (lees: Inca-) bestuur als doel hadden. In de koloniale onafhankelijkheidsstrijd speelden inheemsen slechts een beperkte rol als al dan niet vrijwillige soldaten in één van beide kampen.

De Spanjaarden hebben, onder de Habsburgse heersers tot begin 18e eeuw, bijzonder goed gebruik gemaakt van bestaande en door de inheemse gemeenschappen geaccepteerde verplichtingen aan een centraal gezag. De clerus, die na enige tijd vrijwel overal op dorpsniveau aanwezig was voor de kersteningsarbeid, was vaak veeleisend bij betaling van kerkelijke rituelen. Kerk en staat accepteerden in de beginjaren dat de tribuut die hen toekwam in goederen en diensten werd geleverd en nog niet in baar geld. De Spanjaarden waren succesvol in het verwerven van inkomsten zolang zij in de optiek van de inheemse gemeenschappen een ‘legitiem’ tribuut opeisten dat toekwam aan het centrale gezag, dat van de Inca was overgegaan naar de Spaanse koning. Pas eind 18e eeuw, toen met name door de ingrepen van de Bourbon-bureaucratie die legitimiteit flink was afgebrokkeld, kwamen de gemeenschappen in opstand en was de kolonie verloren.

Deze bijdrage is onderdeel van de Bolivia special (april/mei 2021)

Gerelateerde berichten

Een uniek historisch proces

Een uniek historisch proces

In een diepe politieke, sociaaleconomische en gezondheidscrisis met weinig vertrouwen in de instituties kiezen de Chilenen op 15 en 16 mei een Constitutionele Conventie. Dit gezelschap gaat een nieuwe grondwet ontwerpen. De Conventie zal meer vrouwen, inheemse bewoners, jongeren, niet-partijgebondenen en mensen zonder politieke ervaring tellen dan in de Chileense politiek gebruikelijk is. Een nieuwe grondwet kan een grondslag leggen voor een rechtvaardiger en democratischer Chili, maar dit unieke proces kan ook nog mislukken.

Lees meer
agsdi-globe

Politiek & Maatschappij

agsdi-portrait

Kunst & Cultuur

agsdi-camera

Vrije tijd & Toerisme

agsdi-income

Economie & Ondernemen

agsdi-leaves

Milieu en Natuur

agsdi-learn

Onderzoek & Wetenschap

Blijf op de hoogte

Adverteren op onze website?

Dat kan! Tegen een scherp tarief plaatsen wij uw advertentie.

Ontvang onze nieuwsbrief

Schrijf u in en ontvang onze digitale nieuwsbrief met een overzicht van onze nieuwe artikelen.

Volg ons op social media

Wees als eerste op de hoogte van nieuwe artikelen en deel artikelen met uw netwerk.

Share This