Politiek & Maatschappij

‘Land voor wie het bewerkt, mijnen aan de staat’. De Boliviaanse revolutie van 1952, deel I: de gebeurtenissen

5 juni 2021

Jan de Kievid

In Bolivia brak in 1952 de eerste Latijns-Amerikaanse revolutie uit sinds de Mexicaanse van 1910. Onder druk van opstandige mijnwerkers en (inheemse) boeren nam de revolutionaire regering ingrijpende maatregelen: algemeen kiesrecht, nationalisatie van tinmijnen, verdeling van land onder arme boeren en verplicht gratis basisonderwijs. Economisch was de revolutie geen succes, maar de sociale en politieke doorbraken droegen, direct of indirect, bij aan de maatschappelijke en culturele emancipatiestrijd van de inheemse bevolking. Die emancipatie is overigens nog lang niet voltooid.

“Dit jaar was er weer volop amusement: overal samenzwering, revolutie, algemeen oproer, bloedvergieten, vluchtende ballingen, Hosannahs voor het nieuwe tijdperk, zuivering van de voorgangers.” Dat schreef de Britse ambassadeur in Bolivia over 1952 aan zijn regering in Londen. Hij leek er de draak mee te steken, maar had wel scherp waargenomen: “De schijn mag bedriegen, maar de gevolgen kunnen deze keer blijvend zijn. De verliezende partij – de upper class – zal zich mogelijk nooit meer herstellen. De landeigenaren, de hoogopgeleide en rijke blanken die het land sinds de Spanjaarden hadden geregeerd, waren hebzuchtig, blind en egoïstisch: ze waren zelfs niet in staat samen te werken om zichzelf te verdedigen, hun nederlaag was totaal; hun heerschappij is ten einde.” De ambassadeur had het goed gezien. In Bolivia, waar staatsgrepen vaak ten onrechte revoluties werden genoemd, was ditmaal een echte revolutie uitgebroken. Het was de eerste grote poging tot ingrijpende maatschappelijke en politieke veranderingen in Latijns Amerika sinds de Mexicaanse Revolutie van 1910.

Oligarchie

Bolivia was in 1952, samen met Haïti, het armste land van het continent. Een kleine, vooral blanke elite van mijneigenaren en grootgrondbezitters maakte er de dienst uit. Ook industriëlen en stedelijke notabelen verwierven – vaak als statussymbool – grote stukken land: haciendas en latifundios. Deze elite of oligarchie (in Bolivia rosca genoemd) had ook nauwe banden met hoge militairen. De rosca deed weinig om het land tot ontwikkeling te brengen. Landheren konden gebruik maken van vrijwel gratis indiaanse arbeid. Mijneigenaren exporteerden naar het buitenland en hadden dus geen koopkrachtige bevolking nodig.

De revolutie van 1952 kwam voor veel mensen als een verrassing. Toch rommelde het al een tijd. Na de verloren Chaco-oorlog tegen Paraguay (1932-1935) keerden militairen gedesillusioneerd huiswaarts. Officieren hadden geen vertrouwen meer in de politieke leiders en inheemse soldaten hadden aan het front ernstige discriminatie ervaren. Ze herkenden inheemse soldaten van andere haciendas en uit andere regio’s als lotgenoten, die ook wegens hun afkomst als tweederangsburgers werden behandeld. Studenten en mensen uit de stedelijke middenklassen sloten zich bij de onvrede over de heersende oligarchie aan. Vooral militairen verwierven het presidentschap, vaak na een staatsgreep. Sommigen waren vaandeldragers van de elite, anderen keerden zich tegen de rosca. De zwakke, nogal corrupte en cliëntelistische staat maakte het moeilijk iets te veranderen.

Populisme

Steeds meer Bolivianen gingen zich organiseren. In 1936 ontstond de eerste boerenvakbond. Inheemse boeren hadden zich al sinds eind negentiende eeuw verzet tegen liberale wetgeving over individueel landbezit. Daarmee had de blanke elite steeds meer inheems gemeenschapsland in handen gekregen. Mijnarbeiders verenigden zich in 1944 in een landelijke vakbond onder leiding van Juan Lechín. Een jaar later volgde het eerste grote, nationale inheemse congres met nog tamelijk gematigde eisen.

Naast kleine linkse partijen werd in 1941 de MNR (Nationalistische Revolutionaire Beweging) opgericht, geleid door Victor Paz Estenssoro (foto). De MNR wilde als brede partij alle ‘echte’ Bolivianen (boeren, arbeiders, middenklassen en ook militairen) verenigen tegen de oligarchie om het land tot ontwikkeling te brengen. De MNR kende zeer uiteenlopende stromingen, waarvan de invloed nogal wisselde. Daarom werd de MNR de ene keer fascistisch genoemd, een andere keer socialistisch, soms democratisch of juist niet, en zeker pragmatisch en opportunistisch. Het was een populistische partij wegens de pretentie namens het ‘volk’ te spreken, waardoor andere partijen – die niet namens het volk zouden spreken – eigenlijk overbodig waren.

‘Lot in eigen hand’

Lechín spreekt menigte toe

Na jaren van hevige conflicten en chaos won de MNR in 1951 met Paz Estenssoro (in ballingschap) de presidentsverkiezingen, maar toen grepen de militairen de macht. De MNR bereidde daarna een opstand voor. In de verwarde situatie ontstonden breuken binnen het leger en tussen militairen en politie. Opstandige mijnarbeiders en ook sommige boeren kregen wapens in handen. Van 9 tot 11 april 1952 leverden de opstandelingen harde strijd tegen slecht getrainde en weinig gemotiveerde militairen. Vakbond- en opstandleider Lechín sprak de opstandelingen via de radio toe over de nationale revolutie: “Vandaag heeft het volk zijn lot in eigen hand genomen.” Al na twee dagen hadden de militairen verloren van gewapende burgers. Daarbij waren ongeveer zeshonderd doden gevallen. Het leger kon ook grootgrondbezitters niet meer beschermen.

Paz Estenssoro keerde terug uit ballingschap om het presidentschap op zich te nemen. Lechín, voorzitter van de mijnwerkersvakbond, richtte meteen de COB (Boliviaanse Arbeiders Centrale) op, al snel een van de machtigste organisaties van het land. Vakbonden en boerenorganisaties, die haciendas bezetten, eisten met leuzen als “Land voor wie het bewerkt, mijnen aan de staat” dat de MNR-regering haar beloften zou nakomen. Veel leiders van de MNR stonden daar niet om te springen en hadden na de opstand van mijnwerkers zo’n boerenopstand niet verwacht. Toch nam de MNR-regering in de chaotische toestand snel ingrijpende maatregelen. Op 21 juli 1952 werd algemeen kiesrecht afgekondigd; ook alle vrouwen en alle analfabeten kregen stemrecht, een opmerkelijke stap voor zo’n arm land met zoveel analfabeten. In 1956 brachten bijna acht keer zoveel Bolivianen een stem uit als in 1951: van 126.000 naar 958.000.

Landhervorming

Op 31 oktober 1952 werden de grote tinmijnen genationaliseerd en op 2 augustus 1953 kondigde de president op een bijeenkomt met honderdduizend boeren de landhervorming af. Landeigendom was zeer ongelijk verdeeld: 8 procent van de landeigenaren bezat 95 procent van het agrarische land. Veel grootgrondbezit zou worden verdeeld onder landarbeiders en boeren met weinig land. Paz zette in zijn toespraak hoog in: “Het succes van de nationale revolutie” zou uiteindelijk vooral afhangen “van de volledige verwerkelijking van de landhervorming.” Twee jaar later, in 1955, volgde de invoering van verplicht en gratis basisonderwijs, een belangrijk besluit in een land waar een op de vijf kinderen niet naar school ging.

De MNR-regering erfde een zwakke staat met weinig capaciteit om ingewikkelde plannen effectief uit te voeren. Wat van de landhervorming en de onderwijshervorming terechtkwam, hing sterk af van plaatselijke omstandigheden en machtsverhoudingen. Bij de landhervormingen was een duidelijk regionaal verschil. In het westelijke hoogland met veel grootgrondbezit (haciendas – latifundios) konden de eigenaren dikwijls weinig weerstand bieden tegen inheemse, vaak gewapende boeren. Die waren tot voor kort van hen afhankelijk geweest en namen nu – al voor de nieuwe wet of daarna – stukken land in bezit. In het oostelijke laagland rond Santa Cruz waren landbouwbedrijven veel moderner en daar woonden weinig inheemsen. Daar bleef veel grootgrondbezit overeind.

Socialistisch versus nationaal

Het vrijwel verdwijnen van de klassieke latifundios was zeker revolutionair. Dat kwam mede door de afschaffing van de pongueaje: de verplichting voor de inheemse rurale bevolking tot onbetaald werk en persoonlijke diensten voor de grootgrondbezitter in ruil voor het gebruik van een stukje land. Velen kregen in 1952 en volgende jaren een eigen stuk land, terwijl ze bevrijd waren van die feodale verplichtingen tegenover een landheer. Over hoeveel land er is verdeeld, lopen de cijfers uiteen. Het duurde vaak lang voordat een feitelijke landovername ook formeel was geregeld. De nieuwe landbezitters kregen maar weinig leningen en technische ondersteuning van de staat. En juist dat was na een landhervorming nodig om een klein boerenbedrijf op te zetten en overeind te houden. Kleine boeren (minifundistas) waren na 1952 vaak wel ‘vrij’, maar nog steeds arm. Soms raakten ze hun nieuwverworven land weer kwijt.

De MNR won, vanuit de sterke positie als regeringspartij, de verkiezingen van 1956 en daarna meestal met meerderheden van 76 procent en hoger. Andere partijen waren kansloos. De regering regeerde gedeeltelijk samen met de vakbeweging. Juan Lechín, leider van zowel de mijnarbeidersbond als de landelijke vakcentrale COB, was tegelijkertijd minister van Mijnbouw en Olie in het eerste kabinet van Paz Estenssoro. Van 1960 tot 1964 was deze flexibele en populaire strateeg vicepresident onder Paz Estenssoro. Zo probeerden vakbonden zowel van binnenuit als van buitenaf (bijvoorbeeld met stakingen) de regering in linksere, meer socialistische richting te duwen. De MNR-leiding wilde echter geen socialistische, maar een nationale Boliviaanse revolutie om het land tot ontwikkeling te brengen.

Geen inheemsen, maar campesinos

Volgens de MNR hoorde iedereen bij de Boliviaanse natie, behalve de oude oligarchie, de rosca. Bij deze revolutie en bij het recht op land, kiesrecht en onderwijs werden inheemse inwoners voor het eerst als Boliviaanse burgers erkend. Maar voor diversiteit onder deze ‘echte’ Bolivianen was geen plaats, dus geen erkenning van inheemse rechten en cultuur. Alle kleine boeren en landarbeiders werden gezien als campesinos, ongeacht hun etnische herkomst. Die zouden volgens de MNR allemaal behoren bij een vooral uit mestiezen bestaande samenleving.
Veel inheemsen voelden zich daardoor niet erkend in hun identiteit en cultuur en ook praktisch gediscrimineerd. Bij de landhervorming werd land alleen gezien als een productiemiddel, zonder rekening te houden met de diepe band met de geboortegrond en de voorouders. De hervorming was, aansluitend bij de definiëring als campesinos en niet als inheemsen, gericht op individueel landbezit, zonder aandacht voor gemeenschappelijk inheems grondbezit. Daarom keek een deel van de later sterk geworden inheemse beweging nogal negatief terug op de landhervorming.

Voedselhulp uit VS

De MNR-regering raakte al snel in de problemen. Door de beroering rond de landhervorming daalde enige tijd de productie. En die was in de oude latifundios al zo laag dat Bolivia – ondanks 61 procent werkenden in de agrarische sector – voedsel moest invoeren. Bovendien zorgden de genationaliseerde tinmijnen niet voor hogere exportopbrengsten. Deze problemen kwamen de Verenigde Staten, die de radicale ontwikkelingen in Bolivia bezorgd aanzagen, goed uit. Toen ze overtuigd raakten dat de MNR en Paz Estenssoro geen communisten waren, besloten ze via hulp de revolutie te matigen. De regering-Paz was blij met voedselhulp en deed ook concessies als voorwaarde voor verdere hulp: de staat moest de voormalige eigenaren van de tinmijnen compensatie betalen en buitenlandse oliebedrijven mochten zich in Bolivia vestigen.

Tegen 1960 ontving Bolivia meer hulp van de VS dan een Latijns-Amerikaans land ooit had gekregen. Per hoofd van de bevolking was de hulp aan Bolivia zelfs de hoogste ter wereld; de VS betaalden een derde van de Boliviaanse overheidsbegroting. De MNR-regering had het leger bijna afgeschaft, maar de VS drongen aan op de opbouw van een nieuw sterk leger. Meewerken diende tijdens de Koude Oorlog opnieuw als voorwaarde voor steun. Tegen 1964 waren 1200 Boliviaanse militairen getraind in de School of the Americas in Panama.

Zo neigde de MNR-regering verder naar rechts en verloor de revolutie haar elan. De regering nam afstand van de radicale (mijnwerkers)vakbeweging en zocht meer steun bij anderen: de middenklassen, boeren die na het verkrijgen van land conservatiever waren geworden, militairen, de katholieke kerk, conservatieve media en zelfs een deel van de oude elite. Daardoor en door de concessies aan de VS verloren radicale en linkse groepen hun vertrouwen in de MNR.

‘Juiste koers hersteld’

Paz Estenssoro werd in 1964 voor de derde maal president met generaal René Barrientos (foto) als vicepresident. Die zette eind 1964 Paz af om zelf president te worden, met stilzwijgende instemming van de VS. Barrientos sprak zich niet uit tegen de revolutie, maar presenteerde zich als aanhanger daarvan. De ‘grote volksbeweging van 1952’ was echter door Paz en Lechín op een verkeerd spoor gezet en daarom had Barrientos de ‘juiste koers van de Boliviaanse revolutie hersteld’. Hij toonde zich voorstander van een verbond tussen militairen en boeren. Dat moest de boeren verder losweken van de radicale vakbeweging.

Barrientos en zijn militaire opvolgers (1964-1982) draaiden geen grote besluiten van de revolutie terug, maar zwakten ze wel af. Zo keerden de feodale verplichtingen niet terug, maar vond de verdeling van land onder campesinos in een lager tempo plaats. De tinmijnen bleven in staatshanden. De onderwijshervorming werd niet afgeschaft, maar de uitvoering stagneerde. Algemeen kiesrecht bleef bestaan, maar onder militaire dictators viel weinig te kiezen en vaak waren er helemaal geen verkiezingen. Vooral de dictaturen van Hugo Banzer en Luís García Meza waren uiterst repressief.

Mislukt én veel bereikt

In hoeverre was de revolutie geslaagd? Zuiver economisch wordt de revolutie vaak als mislukt beschouwd, want het ging na 1952 met de economie niet veel beter. Ondanks verbetering van zaken als levensverwachting en alfabetisering bleef Bolivia een van de armste landen van Zuid-Amerika. Ook ging de corrupte en cliëntelistische staat niet beter functioneren. Met de vier hoofdmaatregelen was zeker wel een begin gemaakt met ingrijpende maatschappelijke veranderingen. Als we ‘1952’ samenvatten als het streven dat alle Bolivianen maatschappelijk volwaardig konden meedoen, is er veel bereikt. Landhervorming, afschaffing van feodale verplichtingen, algemeen kiesrecht en meer onderwijs hebben vooral de rurale inheemse bevolking nieuwe mogelijkheden geboden. Daardoor konden ze, hoewel de landhervorming en de onderwijshervorming hun identiteit en cultuur niet erkenden, als Boliviaanse staatsburgers beter geschoold en georganiseerd voor hun rechten opkomen.

Onvoltooid

Dat proces werd na een paar jaar afgeremd en vanaf 1964 tot 1982 onderbroken door militaire dictaturen. Maar zelfs die draaiden de hervormingen niet helemaal terug. Al snel werd gesproken van een ‘onvoltooide revolutie’, die nog voortgezet moest worden. Na 1982 kwam daarvoor meer ruimte. Dat resulteerde in een participatiewet, een onderwijswet en een nieuwe grondwet, allemaal in 1994, die het multi-etnische karakter van Bolivia veel meer dan eerder erkenden. Die wetten gaven weer extra kansen om mee te doen en te strijden voor culturele emancipatie en erkenning. Zo heeft de revolutie van 1952, die etnische identiteit juist negeerde, waarschijnlijk via een ‘omweg’ bijgedragen aan de inheemse emancipatiestrijd die onder president Evo Morales (2006-2019) een nieuwe vlucht nam. Morales ziet overigens de revolutionairen van 1952 niet als zijn voorlopers. Maar ‘1952’ kan zeker niet simpel als ‘mislukt’ worden afgedaan. De revolutie heeft op sociaal en participatief gebied veel teweeggebracht, ook al is dat gedeeltelijk tijdelijk ‘uitgesteld’ of heeft dat via een ‘omweg’ plaatsgevonden. Het was een echte revolutie, maar die is zeker nog niet voltooid.

Binnenkort verschijnt deel II over de Boliviaanse revolutie in vergelijkend perspectief. Daarbij wordt de Boliviaanse omwenteling en speciaal de landhervorming vergeleken met andere Latijns-Amerikaanse revoluties en landhervormingen. Daarnaast is er aandacht voor de reactie van de Verenigde Staten op die revoluties en landhervormingen.

Deze bijdrage is onderdeel van de Bolivia Special (april-mei 2021)

 

 

 

Bronnen: o.a. Sinclair Thomson e.a., The Bolivia Reader (2018), Merilee S. Grindle en Pilar Domingo (red.). Proclaiming Revolution. Bolivia in Comparative Perspective (2003).  

Gerelateerde berichten

Haïtiaanse intellectueel Anténor Firmin over gelijkheid van menselijk ras

Haïtiaanse intellectueel Anténor Firmin over gelijkheid van menselijk ras

In een special over slavernij kan aandacht voor Haïti, het eerste onafhankelijke land in Latijns-Amerika en de eerste postkoloniale zwarte republiek ter wereld, niet ontbreken. Aan het einde van de achttiende eeuw inspireerde de leus “Vrijheid, gelijkheid en broederschap” de tot slaaf gemaakten van het voormalige Saint-Domingue. Maar de Fransen zelf kwamen al snel terug op hun revolutionaire slogan. Met zijn boek over rassengelijkheid diende de Haïtiaan Anténor Firmin hen eind negentiende eeuw van repliek.

Lees meer
Braziliaans besje verovert de wereld

Braziliaans besje verovert de wereld

De açaíbes heeft in korte tijd de wereld veroverd. De bes zit boordevol antioxidanten en vitamine en heeft hierdoor de status van superfood bereikt. Maar er zit ook een dubieuze kant aan de bes. Die groeit aan de açaípalm, een dunne boom waarvoor je niet teveel moet wegen om naar de top, waar de bessen hangen, te kunnen klimmen. Het zijn dan ook vooral kinderen die in het Braziliaanse Amazonegebied omhoog gaan om de bes te oogsten.

Lees meer
agsdi-globe

Politiek & Maatschappij

agsdi-portrait

Kunst & Cultuur

agsdi-camera

Vrije tijd & Toerisme

agsdi-income

Economie & Ondernemen

agsdi-leaves

Milieu en Natuur

agsdi-learn

Onderzoek & Wetenschap

Blijf op de hoogte

Adverteren op onze website?

Dat kan! Tegen een scherp tarief plaatsen wij uw advertentie.

Ontvang onze nieuwsbrief

Schrijf u in en ontvang onze digitale nieuwsbrief met een overzicht van onze nieuwe artikelen.

Volg ons op social media

Wees als eerste op de hoogte van nieuwe artikelen en deel artikelen met uw netwerk.

Share This