Politiek & Maatschappij

Haïti, tien jaar later: Si se pa nou, se kiyè?

14 januari 2020

Auteur: Els Hortensius

Wederopbouw nog niet voltooid na aardbeving van 12 januari 2010

Tien jaar geleden werd het arme Haïti getroffen door de een van de zwaarste aardbevingen ooit. Er kwam veel buitenlandse hulp, maar het land werd slechts gedeeltelijk weer opgebouwd. Veel hulp kwam echter niet goed terecht. Omdat buitenlandse hulporganisaties de Haïtiaanse staat te zwak en te onbetrouwbaar vonden, had die staat bij de wederopbouw een beperkte rol. Waar hulp wel via de staat liep, zoals bij het Petro Caribefonds, verdween veel geld in verkeerde handen. Toch is een aantal Haïtianen gematigd optimistisch, in het besef dat zij zelf hun land moeten opbouwen.

Woensdag 13 januari 2010 ging om half zeven ’s ochtends de telefoon: de Wereldomroep met de vraag of ik iets over de aardbeving in Haïti kon vertellen. Een half uur later gaf ik een eerste interview en speurde ondertussen het internet en mijn mailberichten af op zoek naar nieuws. Dat bleek schokkend: een aardbeving met een kracht van 7.0 op de schaal van Richter had de hoofdstad Port-au-Prince en omliggende plaatsen verwoest. Voor het leven van tienduizenden mensen werd gevreesd. Ik werkte in die tijd voor de ontwikkelingsorganisaties ICCO en Kerk in Actie. Enkele maanden eerder hadden we in Pétion-Ville een klein kantoor met twee lokale medewerkers geopend. Het kantoor bleek verwoest en een van de medewerkers ernstig gewond. In de loop van de volgende dagen kwamen berichten binnen van Haïtiaanse partnerorganisaties: wonder boven wonder waren onder onze partners weinig dodelijke slachtoffers te betreuren. Maar de materiële schade was enorm, nog los van de traumatische ervaringen die iedereen had opgedaan, het verdriet om omgekomen familieleden en vrienden.

Zelden eiste een natuurramp verhoudingsgewijs zoveel dodelijke slachtoffers: volgens schattingen tussen 100.000 en ruim 220.000 op een bevolking van bijna tien miljoen mensen. Er was enorme materiële schade en 1,5 miljoen mensen raakten dakloos in dit armste land van Latijns Amerika en de Cariben. Daarom was de bereidheid om steun te verlenen groot. In Nederland bracht een campagne van de samenwerkende hulporganisaties (SHO), mede door een subsidie van € 41,7 miljoen van het ministerie van Buitenlandse zaken, het indrukwekkende bedrag van  111 miljoen op. Eind 2014 was dit bedrag geheel uitgegeven aan noodhulp en wederopbouw. Zo werden met Nederlandse steun 8500 huizen en 55 scholen gebouwd of gerepareerd. In totaal kregen 267.000 mensen toegang tot schoon drinkwater en werden 190.000 mensen getraind in rampenbestrijding.

Choleraepidemie

Maar dit is niet hele verhaal. De internationale gemeenschap zegde in totaal tien miljard dollar toe, waarvan uiteindelijk slechts een deel daadwerkelijk is uitgegeven in Haïti. Er leefde veel wantrouwen bij buitenlandse overheden ten aanzien van de betrouwbaarheid en capaciteiten van de Haïtiaanse staat, die dan ook meestal buiten de deur werd gehouden. Gezien de fraude met de PetroCaribe fondsen (zie hieronder) was dat wantrouwen niet onterecht. Maar omdat wederopbouwcontracten vaak werden afgesloten met ondernemers in eigen land vloeide het gedoneerde geld vloeide veelal weer terug naar het schenkende land. Bovendien kreeg Haïti eind 2010 te maken met een choleraepidemie, meegebracht door Nepalese soldaten van de VN-vredesmacht die sinds 2004 in het land actief was. Er vielen naar schatting 10.000 doden en het duurde tot 2016 voordat algemeen secretaris Ban Ki-Moon de verantwoordelijk van de VN voor de epidemie erkende. Een verantwoordelijkheid die echter niet geleid heeft tot een schadevergoeding aan de slachtoffers.

Building back better?

En daarna? In de jaren die volgden op de aardbeving werd Haïti getroffen door nieuwe natuurrampen zoals de orkanen Sandy in 2012 en Matthew in 2016. En terwijl het land in het jaar vóór de aardbeving sociaal en economisch eindelijk uit het dal leek te klimmen, was daarvan na 2010 geen sprake meer. Al de mooie woorden over building back better ten spijt wonen veel slachtoffers van de aardbeving nog altijd niet in een echt huis. Volgens een rapport van de IOM (Internationale Organisatie voor Migratie) leven er tien jaar later nog ruim 34.000 mensen verspreid over 23 kampen.

Er leek ook weinig van eerdere rampen te zijn geleerd. Na orkaan Mitch (1998) werden ver buiten Tegucigalpa, de zwaar getroffen hoofdstad van Honduras, nieuwe wijken uit de grond gestampt. Maar er werd daarbij niet bedacht dat de bewoners hun hele loon kwijt waren aan de dagelijkse trip naar hun werk in de stad, terwijl de wijken zelf niet over werkgelegenheid, scholen of gezondheidscentra beschikten. In Haïti zag je buiten Port-au-Prince hetzelfde gebeuren, zoals met Village Lumane Casimir, dat een modeldorp voor de wederopbouw moest worden. Zes jaar nadat de eerste bewoners de sleutel kregen is het nog altijd een spookstad: geen markt of gezondheidscentrum, geen elektriciteit of stromend water. En op twintig kilometer afstand van Port-au-Prince zijn de transportkosten enorm. Volgens de Haïtiaanse mensenrechtenorganisatie RNDDH, die na tien jaar de balans opmaakt, lekken de daken en zijn de toiletten kapot.

De toekomst opnieuw uitvinden

Terwijl de bevolking in de kampen – vaak gedwongen door de overheid of de eigenaren van de grond – afnam, kwamen er steeds meer zelfgebouwde huisjes op de hellingen rond de hoofdstad. Zonder voorzieningen of infrastructuur in de vorm van wegen of bouwkundig toezicht ligt een nieuwe ramp op de loer. Maar de Haïtianen hebben allang door dat de toekomst in hun eigen handen ligt. Al vrij snel na de ramp was er sprake van een zeker optimisme. De ramp had mensen dichter bij elkaar gebracht en velen dachten dat dit misschien toch een keerpunt in de geschiedenis kon zijn. Er werden conferenties georganiseerd en boeken gepubliceerd met hoopvolle titels als Haïti, réinventer l’avenir (Haïti, de toekomst opnieuw uitvinden) en Refonder Haïti? (Haïti funderen op een nieuwe basis?). Boeken vol artikelen van betrokken Haïtianen met plannen voor de ontwikkeling van hun land. Sommigen heel praktisch, andere meer politiek of filosofisch; maar allemaal geloven ze in een nieuwe toekomst voor Haïti.

Zoals Rose-Anne Auguste, met een achtergrond in de medische en sociale zorg, die in een artikel in Refonder Haïti? pleitte voor de bouw van villages de vie (levensdorpen) voor mensen die hun huis kwijt zijn. De nieuwe dorpen zouden elk maximaal 2500 woningen tellen en binnen de grenzen van de huidige steden en dorpen gebouwd worden. “Het dorp komt met een groene ruimte, een gezondheidscentrum, een school, een gemeenschapscentrum waar onder meer workshops over burgerschap, schilderen, muziek, seksuele en reproductieve rechten gegeven kunnen worden.” Rose-Anne eindigde haar bijdrage met de opmerking «Le 12 janvier devendrait alors une chance pour le peuple haïtien.» Wanneer ik haar vraag wat ze hier nu van vindt, schrijft ze terug dat het land naar evenwicht zoekt in een context van onderling onbegrip, maar dat de bevolking zich staande houdt ondanks de problemen van sociale ongelijkheid. Ze is gematigd optimistisch over de wederopbouw, waarbij ze opmerkt dat hoewel veel mensen geleerd hebben om beter te bouwen, in de arme wijken van de stad de ‘anarchistische’ constructies nog overheersen. Net als tien jaar geleden blijft (schilder-) kunst belangrijk. Zo heeft ze enkele kunstopleidingen gevraagd schilderijen te maken voor de herdenking van 12 januari.

PetroCaribe fonds

Optimistisch ondanks alles is ook Chenet Jean-Baptiste, directeur van de Haïtiaanse organisatie ITECA, een technisch instituut dat boeren ondersteunt bij duurzame ontwikkeling. Ik spreek hem enkele dagen voor 12 januari in Brussel waar hij op uitnodiging van Belgische ontwikkelingsorganisaties een herdenkingsbijeenkomst zal bijwonen. Dat wil niet zeggen dat hij tevreden is met de wederopbouw van zijn land, integendeel. Haïti ligt nog altijd in puin. En wat is er gebeurd met de miljarden dollars die zijn toegezegd? Resultaten zijn niet te verifiëren. Zo zou USAID, de ontwikkelingsorganisatie van de overheid van de Verenigde Staten, volgens Jean-Baptiste 59 miljoen dollar hebben besteed, terwijl er maar 900 huizen gebouwd zijn. Hij plaatst dit tegenover de 800 huizen die ITECA bouwde voor een bedrag van vier miljoen dollar. De 800 huizen van ITECA zijn door iedereen te bezichtigen, terwijl bij USAID iedere vorm van transparantie en inzichtelijkheid in de resultaten ontbreekt.

En waar was de Haïtiaanse staat gedurende dit alles? Voorop staat dat de regering en het ambtenarenapparaat, al zwak vóór de aardbeving, door die ramp nog verder verzwakt waren. “De staat werd onthoofd”, stelt mensenrechtenorganisatie RNDDH. Veel ambtenaren waren om het leven gekomen, evenals politieagenten, rechters, leraren en onderwijzers. Angst voor corruptie maakte dat weinig landen direct met de staat wilden samenwerken.

Een van de weinige landen die dit wél deden, was Venezuela. Middels het PetroCaribe fonds ontving Haïti (evenals een aantal andere Caribische landen) olie tegen een gunstig tarief, een lening die over langere termijn kon worden afbetaald. De overheid verkocht de olie door aan leveranciers, en met de winst zouden sociale en ontwikkelingsprogramma’s gefinancierd worden. De angst voor fraude en corruptie bleek gegrond: rapporten van de Haïtiaanse Senaat en van de Rekenkamer hebben vorig jaar aangetoond dat er voor twee miljard dollar door Haïtiaanse ondernemers en regeringsfunctionarissen verduisterd is. En dat is veel geld voor een land met een BNP van acht miljard. Daarom mag, vindt ook Jean-Baptiste, de verspilling en fraude bij de besteding van dit fonds niet ongestraft blijven.

De huidige situatie in Haïti lijkt geen enkele reden tot optimisme te geven. Met de ineenstorting van de economie in Venezuela kwam er een einde aan het PetroCaribe fonds, dat ook zorgde voor betaalbare olie en benzine, en zijn de kosten van levensonderhoud in Haïti sterk gestegen. Dit leidde tot protesten die nu al ruim anderhalf jaar met tussenpozen aanhouden. Twee premiers hebben al het veld moeten ruimen en de huidige premier is nog altijd niet officieel in functie, in afwachting van de goedkeuring van zijn benoeming door het parlement. Dit zal ook niet meer gebeuren, omdat de zittingstermijn van het parlement op maandag 13 januari is afgelopen, zonder dat er verkiezingen zijn geweest. Daardoor kunnen er dus geen nieuwe parlementsleden worden geïnstalleerd.

Dat betekent dat de president, Jovenel Moïse, vanaf dat moment per decreet regeert. Bij gebrek aan een legitieme regering schorten internationale organisaties hun fondsen op. Zo heeft de Europese Unie eind vorig jaar al besloten voorlopig geen geld meer over te maken. Uiteindelijk zijn de armen in het land het slachtoffer. Volgens Jean-Baptiste overleeft de bevolking nog uitsluitend dankzij het geld dat de diaspora, de familie in het buitenland, maandelijks overmaakt. Dat betrof vorig jaar het bedrag van drie miljard dollar, een derde van het BNP. Op veel plaatsen in de wereld werd de afgelopen tijd gedemonstreerd voor betere omstandigheden. Gevraagd naar een overeenkomst met de protesten in Haïti antwoordt Jean-Baptiste: “In die andere landen willen de mensen nu beter eten, of een toetje erbij, terwijl het in Haïti erom gaat dat we honger hebben en willen eten.”

“Als wij het niet doen, wie dan wel?”

En toch, wanneer ik Jean-Baptiste vraag naar zijn toekomstverwachting voor Haïti zegt hij: “Ik ben optimistisch.” En in reactie op mijn verbazing vult hij aan: “Ik ben van nature een optimist. Maar ook zie ik hoopvolle tekenen die veranderingen kunnen brengen.” Zo zijn Haïtianen zich nu bewust geworden van de negatieve gevolgen van corruptie; zij accepteren dit niet langer. Dit kan op termijn leiden tot een nieuwe wijze van het beheer van publieke middelen. De burgers zullen de bestuurders om verantwoording vragen. En daarnaast heeft hij zijn hoop op de jongeren gevestigd: die tonen nu voor het eerst interesse in politiek en de staat. Voor Chenet Jean-Baptiste geldt nog altijd het motto van ITECA uit 2010: Si se pa nou, se kiyès? (Als wij het niet doen, wie dan wel?). En ja, de honderden humanitaire organisaties zijn allang vertrokken, door naar een nieuwe ramp. En nu ook steeds meer reguliere ontwikkelingsorganisaties het land verlaten, komt het op de Haïtianen zelf neer. De kleinschalige landbouw is praktisch het enige dat nog functioneert in het land, én van levensbelang voor het overleven van de bevolking. Niet voor niets pleiten nationale organisaties voor steun aan de kleine boeren door zaad en materiaal ter beschikking te stellen en zo toenemende ondervoeding te voorkomen.

Gerelateerde berichten

De economische agenda van de Mexicaanse President Andrés Manuel Lopéz Obrador

De economische agenda van de Mexicaanse President Andrés Manuel Lopéz Obrador

Op 1 juli 2020 was het precies twee jaar geleden dat Andrés Manuel López Obrador (AMLO) met een duidelijk linkse agenda tot president van Mexico gekozen werd. Bij zijn inauguratie op 1 december 2018 waren velen bereid deze zelfbenoemde ‘politieke outsider’ een kans te geven. Wat is er sindsdien terecht gekomen van zijn beloftes een einde te maken aan het drugsgeweld dat het land al jaren in zijn greep houdt en van economische voorspoed voor de bevolking door middel van een “Vierde Transformatie” waarmee corruptie en inkomensongelijkheid bestreden zou worden? En hoe is het anderhalf jaar later gesteld met zijn plannen om door middel van overheidsinvesteringen nationale economische onafhankelijkheid te generen? Hoewel dalend, blijven AMLO’s waarderingscijfers onveranderd hoog.

Lees meer
agsdi-globe

Politiek & Maatschappij

agsdi-portrait

Kunst & Cultuur

agsdi-camera

Vrije tijd & Toerisme

agsdi-income

Economie & Ondernemen

agsdi-leaves

Milieu en Natuur

agsdi-learn

Onderzoek & Wetenschap

Blijf op de hoogte

Adverteren op onze website?

Dat kan! Tegen een scherp tarief plaatsen wij uw advertentie.

Ontvang onze nieuwsbrief

Schrijf u in en ontvang onze digitale nieuwsbrief met een overzicht van onze nieuwe artikelen.

Volg ons op social media

Wees als eerste op de hoogte van nieuwe artikelen en deel artikelen met uw netwerk.

Share This