Politiek & Maatschappij

Bolivia: Beginnende emancipatie van een etnische meerderheid?

9 april 2021

Pim Verhallen

Geschiedenis van Bolivia in vogelvlucht

De geschiedenis van Bolivia is sterk beïnvloed door de bijzondere geografie en door opeenvolgende veroveraars, zoals de Inca en Spanjaarden. De oorspronkelijke bewoners en de Inca vonden wederkerigheid een wezenlijk samenlevingsprincipe, maar voor de Spanjaarden gold dat niet. Ook na de onafhankelijkheid bleef de grote inheemse bevolking gemarginaliseerd. Daarin is pas recent, vooral onder de eerste inheemse president Evo Morales, verandering gekomen. Maar het inheemse emancipatieproces is nog lang niet voltooid.

Simon Bolívar

Bolivia verkreeg zijn onafhankelijkheid van het koloniale Spanje mede dankzij de inzet van de grote bevrijder van Latijns Amerika, Simon Bolívar. Uit dankbaarheid voor die inzet werd de nieuwe republiek naar hem vernoemd en was Bolívar korte tijd de eerste president. In de Spaans-koloniale tijd werd het land aangeduid als Alto Perú, hoog-Peru. Gezien vanuit Lima, van waaruit het gebied werd bestuurd, was dat treffend: Lima op zeeniveau, Alto Peru op ruim drieduizend meter hoogte.

Bolivia kent drie sterk verschillende gezichten: het koude en droge hoogland op zo’n drieduizend meter tussen de beide bergketens van de Andes, diepe subtropische interandiene valleien aan de oostkant en een uitgestrekt tropisch laagland dat deel uitmaakt van het Amazonebekken, grenzend aan Brazilië.

Bij de kolonisatie troffen de Spanjaarden zeer diverse inheemse groepen aan. In het laagland verspreid, in kleine verbanden levende groepen jagers-verzamelaars met een grote verscheidenheid aan talen. De tweede groep, Quechua en Aymara, woonden op de hoogvlakte in de traditionele ayllus, sociale samenlevingsverbanden die gebaseerd zijn op – vaak imaginaire – gezamenlijke voorouders, bedreven landbouw en veeteelt. Guaraní-sprekenden, deel van een grote taalgroep in Argentinië, Uruguay en Paraguay, leefden van kleinschalige, zelfvoorzienende landbouw in wat nu het zuidoostelijke departement Santa Cruz is.

Inca-rijk

De hoogvlaktebewoners waren rond 1450, betrekkelijk kort voor de aankomst van de Spanjaarden en niet geheel vrijwillig, opgenomen in het Inca-rijk. Een belangrijke voorloper daarvan, de Tiwanaku-cultuur, ontstond rond het begin van de huidige jaartelling rond het Titicacameer. In een min of meer centraal geleide structuur waren diverse Aymara-sprekende groepen bijeengebracht. De hoogte en het klimaat vormden (en vormen) belangrijke uitdagingen voor landbouw en veeteelt en vereisen vergaande samenwerking tussen gemeenschappen om productie te verzekeren en gemeenschappelijke risico’s af te dekken. De neergang van de Tiwanaku-cultuur rond het jaar 800 kwam vermoedelijk door klimatologische veranderingen, waardoor landbouwopbrengsten te marginaal werden. (tekst gaat verder onder foto)

ruïnes Tiwanaku-rijk

 

De Inca had vanuit hoofdstad Cusco door een serie veroveringen in het noorden en westen van wat nu Peru is meerdere volkeren in hun centraliserend bestuursverband bijeengebracht. In de vijftiende eeuw breidde onder leiding van Inca Pachacutec het Inca-rijk zich uit naar het gebied ten zuiden van het Titicacameer tot het noorden van het huidige Argentinië. De volkeren in dit gebied, geschat op ongeveer één miljoen mensen, waren nog niet volledig door het Inca-rijk geassimileerd toen de Spanjaarden rond 1535 arriveerden. Uit de kronieken blijkt dat de Aymara stevig verzet boden tegen hun inlijving in het rijk van de Inca. Dat werd gerespecteerd; terwijl andere overwonnen volkeren gedwongen werden het Quechua van de Inca te spreken, mochten de Aymara hun eigen taal blijven gebruiken.

Verplichtingen

De in het Inca-rijk opgenomen volkeren in de Andes van Alto Peru, de Aymara en de Quechua-sprekenden, kregen vanuit Cusco meerdere verplichtingen opgelegd. Belangrijk was het tribuut, een directe belasting in de vorm van arbeid op de akkers van de vorst voor bijvoorbeeld graanproductie, hoeden van vee, mijnbouw en zoutproductie. De Inca vorderde, anders dan de Spanjaarden later, als tribuut geen eigen productie van de ayllu’s. Deze arbeidsinzet werd opgelegd aan mannen in de leeftijd van 18 tot 50 jaar.

Een andere vorm van belasting, de mita, was een regelmatig terugkerende, langlopende werkverplichting. De Inca kon groepen mannen in de tribuutplichtige leeftijd oproepen voor centraal georganiseerde taken, zoals onderhoud aan en uitbreiding van het grote wegennetwerk dat reikte van het huidige Quito tot aan de noordgrens van Argentinië. De mita betrof ook regelmatige deelname aan militaire expedities van de Inca.

De spil in de relatie tussen de Inca in Cusco en de gemeenschappen was de curaca. Deze traditionele leiders van de ayllu’s waren tegenover de ambtenaren van de Inca verantwoordelijk voor het nakomen van hun verplichtingen. Het belastingsysteem kon alleen functioneren zoals bedoeld, doordat het Inca-rijk regelmatig efficiënte volkstellingen en inventarisaties van de bezittingen van de ayllu’s organiseerde. Het rijk kende geen schrift; de centrale administratie van de tellingen werd door de boekhouders van Cusco gevoerd op quipu’s, een systeem van gegevensopslag in de vorm van koorden van verschillende kleuren, met knopen verdeeld over de lengte van die koorden.

Wederkerigheid

Tegenover de verplichtingen die het rijk de ayllu’s oplegde, zorgde het systeem voor een sterkte mate van bescherming van de bewoners. In de Andes zijn de omstandigheden voor landbouw en veeteelt niet gemakkelijk; schaarste dan wel hongersnood door droogte waren, net als tegenwoordig, regelmatig terugkerende bedreigingen. Het Inca-systeem van centrale opslag van voedsel én een systeem om dat voedsel snel te distribueren langs het uitstekende wegennet boden redelijke zekerheid dat gemeenschappen konden rekenen op bescherming. Voor de ayllu’s in dit gebied was (en is) dit een bekende formule: reciprociteit (wederkerigheid) en delen zijn fundamentele principes van de onderlinge verhoudingen. Op ruim drieduizend meter was en is bestaanszekerheid betrekkelijk: de wetenschap dat onderlinge hulp ingeroepen kon worden, verzachtte de vele externe risico’s.

De laaglandbewoners in de oostelijke delen van het gebied, door de Inca en later de Spanjaarden aangeduid als chunchos of chiriguanos, waren en zijn vooral jagers en verzamelaars: 37 verschillende talen van deze groepen zijn geïdentificeerd en erkend in de nieuwe grondwet. Zij kenden alleen – grotere of kleinere – familieverbanden. Omdat de opbrengst van dit gebied, vooral een diversiteit aan bosproducten, coca en geneeskrachtige planten, voor de Inca van belang was, werden regelmatig expedities georganiseerd die vaak door de guerrillatactieken van deze volkeren mislukten. De Spanjaarden verging het later bij hun pogingen om het gebied onder controle te brengen niet beter. (tekst gaat verder onder foto)

zilverberg Potosí

Zilver

In 1532 landen de eerste Spanjaarden op de Peruaanse kust. Tussen 1532 en 1540 consolideerden ze hun aanwezigheid in Alto Peru, het hooglandgebied. De opdracht aan de Spaanse kolonisatoren was economische gewin voor henzelf én voor de koning, pacificatie én kerstening van de oorspronkelijke bewoners. Allereerst wilden zij, op basis van concessies verleend door de Spaanse koning, grond en bijbehorende arbeidskrachten verwerven. De tijdelijke eigenaar van zo’n encomienda diende, volgens deze concessie, zorg te dragen voor de kerstening van de inheemsen die hem waren toegewezen en hij had recht op een deel van hun productie.

De Spanjaarden toonden zich nieuwsgierig naar de wijze waarop de inheemse gemeenschappen functioneerden in relatie tot het centrale gezag van de Inca; er waren daarover nog voldoende bronnen van kennis en ervaring beschikbaar. De waarde van het tribuut en de wijze van administreren daarvan voor hun eigen belangen werd onmiddellijk herkend. De Spaanse bestuurders presenteerden zich ten opzichte van de inheemse gemeenschappen als de opvolgers van het Inca-gezag en eisten continuïteit in het betalen van tribuut en het voldoen aan de mita-verplichtingen.

Dat reciprociteit een wezenlijk onderdeel was van het systeem, ontging de Spaanse kolonisator echter. Naarmate de tribuuteisen werden opgeschroefd en de mitaverplichtingen zwaarder drukten op het vermogen van de gemeenschappen de eigen voedselproductie op peil te houden, groeide ook het inheemse verzet. Dat werd ook aangewakkerd door de toenemende druk van de kerstening door de kerk. Het verzet uitte zich al in 1560, met de opkomst van de zogenaamde ‘ziekte van de dans’, de ‘Taki Onkoy’.

inheemsen en priesters

De ontdekking van de uitzonderlijk rijke zilvermijn in Potosí, op een hoogte van ruim vierduizend meter, was een belangrijke motor van de groeiende Spaanse aanwezigheid. Vanaf het begin van de exploitatie konden in dagbouw (erts aan de oppervlakte) al grote hoeveelheden zilver worden gewonnen. Inheemse gemeenschappen werden verplicht arbeid te leveren voor de mijnbouw en afgeleide taken op basis van hun mita-plichten. Deze zilverkoorts leidde tot een enorme groei van de stad: tegen 1550 was Potosí met 150.000 inwoners de grootste stad in het westelijk halfrond.

Audiencia

koloniaal Potosí

Het gebied werd bestuurd vanuit Lima, de residentie van de Spaanse onderkoning, op ruim 2400 km afstand. De zilverwinning was van enorm economisch belang voor de Spaanse Koning, die een vijfde van de productie, de quinta real, opeiste. De sterke bevolkingsgroei rond de mijn, de problemen van bestuur op afstand en de (gegronde) angst voor corruptie brachten de koning ertoe in 1559 een zogenaamde Real Audiencia met bestuurlijke en rechtsprekende bevoegdheden te vestigen in Charcas (het huidige Sucre), nabij Potosí. Deze Audiencia viel gedeeltelijk onder verantwoordelijkheid van de onderkoning in Lima (later die van Buenos Aires), maar was ook verantwoording schuldig aan de koning in Spanje (via diens ‘Indische Raad’); koloniale bestuurders van hoog tot laag hadden weinig vertrouwen in elkaar en werden regelmatig tegen elkaar uitgespeeld. Het gehele systeem leidde tot een enorme (en door de afstand trage) bureaucratie. Het Spaans-koloniale archief in Sevilla telt niet minder dan veertig miljoen documenten uit deze periode.

Deze Real Audiencia in Charcas was bestuurlijk verantwoordelijk voor het gebied tussen Puno, aan de noordkant van het Titicacameer, het huidige noord-Chili, Paraguay en noord-Argentinië. De grenzen van deze Audiencia werden bij de onafhankelijkheid in 1825 de eerste grenzen van de onafhankelijke republiek Bolivia. Sucre als bestuurscentrum en La Paz (gesticht in 1549) als centrum van politiek en handel werden de belangrijkste machtscentra na 1825. Het Boliviaanse Hooggerechtshof zetelt nog steeds in Sucre.

Peninsulares, criollos en inheemsen

De eerste aanzetten tot onafhankelijkheid kwamen al vóór 1800 op gang, mede door ontwikkelingen in of vanuit Europa. De ideeën van de Verlichting klonken steeds nadrukkelijker door in de kolonie, net als de strijd om de Noord-Amerikaanse onafhankelijkheid in 1776 en de Franse Revolutie in 1789. De inval van Napoleon in Spanje in 1806-1807 en het huisarrest van de afgetreden Spaanse koning in Frankrijk veroorzaakten in de kolonie een politiek machtsvacuüm. Intern speelde al een chronisch conflict tussen in de kolonie geboren Spanjaarden, de criollos, meer geneigd naar onafhankelijkheid, en de in Spanje geboren vooral koningsgezinde peninsulares. Deze laatsten hadden steeds meer privileges gekregen ten opzichte van de criollos. Door toedoen van vooral Engeland, dat op de Atlantische kust steeds meer invloed had verworven en zich stevig bemoeide met de Spaanse kolonies, groeide het verzet tegen Spanje, met name vanuit Buenos Aires. Daar kwam het tot de eerste, gewapende opstand tegen het Spaanse gezag.

Het huidige Bolivia werd tussen 1809 en 1825, het jaar van de onafhankelijkheid, een speelbal in de strijd tussen de milities van Buenos Aires en de troepen van Bolívar aan de ene kant en de uit Lima gestuurde Spaanse troepen aan de andere kant. In die grotere en kleinere confrontaties bleek de tegenstelling tussen voor onafhankelijkheid strijdende criollos en koningsgezinde peninsulares vaak dé scheidslijn tussen Spanjaarden onderling. De inheemse gemeenschappen bleven, op een enkele lokale uitzondering na, aan de kant staan. Uiteindelijk werd het huidige Bolivia het terrein waarop het proces naar onafhankelijkheid van Zuid-Amerika werd afgerond. De leiders van de opstand in Bolivia gaven de nieuwe republiek de naam van Bolívar uit erkentelijkheid voor diens rol in de onafhankelijkheidsstrijd van het continent. Bolívar was ook korte tijd de eerste president van het land. Onafhankelijkheid was een zaak van blanke Spanjaarden; de grote inheemse meerderheid stond aan de kant.

Helft grondgebied verloren

In de jaren daarna en feitelijk tot de moderne tijd bleek de jonge Boliviaanse staat te zwak om succesvol een natie op te kunnen bouwen. Onderling wantrouwen tussen de politieke leiders, zeer ongelijke sociale en politieke verhoudingen en regionale spanningen tussen hoogland en laagland belastten iedere poging om nationale eenheid te bereiken. De inheemse gemeenschappen, Aymara, Quechua, Guaraní en laaglandvolkeren, die ongeveer 80 procent van de bevolking vormden, bleven onderdrukt en gemarginaliseerd als arbeidsreserve, waarbij de laaglandbevolking helemaal onzichtbaar was in de nationale politiek.

verloren territoria

De staat kon, ondanks de vrijwel constante aanwezigheid van militairen in het landsbestuur, de grenzen niet effectief beschermen. Bolivia verloor tussen 1825 en 1935 maar liefst de helft van het oorspronkelijk grondgebied aan Brazilië, Peru, Chili, Argentinië en Paraguay.   Dat leverde twee grote nationale trauma’s op: het verlies van zeehavens aan de kust van de Stille Oceaan en dus toegang tot de zee in 1879 (bevestigd in een internationaal verdrag in 1897) aan Chili en het verlies, in de Chaco-oorlog van 1932 – 1935, van territorium aan Paraguay. Bolivia verloor in deze oorlog 65.000 doden en gewonden: merendeels inheemse soldaten uit de hooglanden.

Territoriale integratie is zwak gebleven. In de dunbevolkte noordelijke departementen Beni en Pando was de aanwezigheid van de staat tot de jaren negentig van de twintigste eeuw marginaal. Het economische sterke, olierijke Santa Cruz, dat zich nauwelijks met het ‘indiaanse’ hoogland wil identificeren, zet zich stelselmatig af tegen La Paz en dreigt regelmatig met afscheiding.

Gratis arbeidskrachten

Tot ver in de twintigste eeuw was mijnbouw de economische basis van het land. De nationale politiek werd gedomineerd door spanningen tussen de sterke mijnbouwsector (met de tinwinning jarenlang als belangrijkste inkomstenbron voor het land) en grootgrondbezitters in de landbouwsector, beide met eigen politieke partijen. Beide sectoren profiteerden van vrijwel gratis arbeidskrachten: leden van inheemse gemeenschappen werden van staatswege als horigen toebedeeld aan beide sectoren, het zogenaamde pongueaje-systeem dat pas in 1945 formeel werd afgeschaft. Door de goedkope dan wel gratis arbeidskracht voelden beide sectoren geen enkele prikkel om te moderniseren. Tinerts werd lange tijd nog op muilezels naar de exporthaven vervoerd en een eigen tinsmelterij was steeds een nationale aspiratie, maar kwam nooit van de grond.

De inheemse gemeenschappen werden lang als politieke non-factor beschouwd en hooguit als voedselproducenten en goedkope arbeidsreserve gezien. De gemeenschappen werden tijdens politieke onrust en militaire staatsgrepen steeds onder de vlag van deze of gene generaal gemobiliseerd om na diens overwinning of smadelijk verlies weer vergeten te worden.

Revolutie

revolutie van 1952: Leve MNR

Daarin kwam in de jaren veertig van de twintigste eeuw verandering. De trauma’s van de verloren Chaco-oorlog leidden tot een politieke opleving onder inheemse jongeren en de vorming van radicale, vaak marxistische partijen en partijtjes. De Movimiento Nacionalista Revolucionario (MNR) groeide in dit klimaat uit tot bepalende factor. In 1952 organiseerde de MNR een nationale opstand die uiteindelijk een revolutie werd, vergelijkbaar met die van Mexico in 1910 en Cuba in 1959. De voornaamste resultaten van deze revolutie, bezien vanuit de inheemse gemeenschap, waren een ambitieuze landhervorming, daadwerkelijke afschaffing van het pongueaje-systeem en algemeen kiesrecht, ook voor vrouwen en analfabeten. Dit was de eerste revolutie in Latijns Amerika na 1945 die structurele maar – naar later bleek – nog onvoldoende sociale en politieke verandering realiseerde. Vooral de eigendomsverhoudingen rond landbouwgrond zouden, zoals vrijwel overal in Latijns Amerika, een onvoltooid hoofdstuk vormen.

De revolutie van 1952 en de bereikte hervormingen stelden de MNR in staat tot 1964 aan de macht te blijven. Onder druk van sterk opkomende kleinere en grotere linkse partijen en steeds assertiever optreden van de vakbeweging, radicaliseerde de MNR sterk. In 1964 besloot het leger (gesouffleerd door de VS) dat het tijd was voor een ingreep. Militairen bleven, met grotere of minder grote schendingen van mensenrechten, aan de macht tot begin jaren tachtig en lieten een sterk beschadigde samenleving en economie achter.

militaire dictatuur

Inflatie

De nieuwe civiele regering had onmiddellijk te kampen met ongehoorde inflatie. Daarbij kenterde ook het internationale economisch tij: de hoge prijzen voor minerale grondstoffen zoals tin zakten in. De regering kon niet meer aan haar betalingsverplichtingen voldoen. Na diverse pogingen om weer tot groei te komen, besloot de in 1993 aangetreden president Sánchez de Lozada zogenaamde structurele aanpassingen langs de lijnen van de neoliberale Washington-consensus door te voeren. Privatisering, monetaire hervorming en forse bezuinigingen, vooral op onderwijs, cultuur en medische zorg, vormden de spil van het beleid dat steeds meer tegenstand ondervond.

Gevolgen van dit beleid waren onder meer de opstand – ‘wateroorlog’ – in Cochabamba in april 2000 naar aanleiding van de privatisering van het waterbedrijf en een nationale opstand in 2003 toen de regering gas wilde verkopen via Chili; dit laatste leidde tot het einde van het presidentschap van Sánchez de Lozada. De intussen opgekomen militant-inheemse partijen waren daarbij een belangrijke factor.

Plurinationaal

Evo Morales

De opkomst in de jaren zeventig van meer of minder radicale ‘indianen’-partijen zoals de MRTKA, Ayllus Rojos, EGTK en eind jaren negentig de MAS (Movimiento al Socialismo) stimuleerde de politieke emancipatie van de hoogland-gemeenschappen. Het sociale en politieke panorama van Bolivia veranderde fundamenteel met de doorbraak van Evo Morales’ MAS als stem van de inheemse gemeenschappen en een nieuwe grondwet, waarin voor het eerst de ‘plurinationale’ identiteit van Bolivia werd vastgelegd. In 2005 werd Morales voor het eerst tot president gekozen. Gunstige marktvoorwaarden voor de Boliviaanse export (mineralen en vooral gas en aardolie) en de ontdekking van grote voorraden lithium hielpen Morales bij het verhogen van sociale uitgaven.

Na een omstreden grondwetswijzing wilde Morales eind 2019 voor een vierde keer opgaan voor het presidentschap. Hij werd echter beschuldigd van verkiezingsfraude en na druk van leger en politie gedwongen in ballingschap te gaan. Nieuwe verkiezingen eind 2020 (zonder de kandidatuur van Morales) leverden weer een overwinning voor de MAS op met Luis Arce Catacora als nieuwe president.

Pas beginfase

Nog steeds drijft de economie van Bolivia op extractieve industrieën en export van grondstoffen. Bij de mijnbouw, waar naast tin, zilver en goud en een grote variëteit aan andere mineralen een afnemende inkomstenbron vormen, is er hoop op inkomsten van de enorme lithiumvoorraad. De belangrijke gas- en oliewinning is de kurk waarop de laatste twintig jaar de economie drijft. De internationaal dalende grondstofprijzen belasten echter de plannen van de nieuwe regering-Arce. Een belangrijk probleem – en een belasting van de betrekkingen tussen Bolivia en de VS – is daarnaast een florerende ‘grijze’ dan wel zwarte economie rond cocaïneproductie en -handel. Bovendien is het land zwaar getroffen door de coronapandemie.

Afgelopen veertig jaar is, na het herstel van civiel bestuur en de opkomst van ‘eigen’ politieke partijen, de sociale en politieke positie van de inheemse meerderheid ten opzichte van het ‘blanke’ en mestieze deel van de bevolking versterkt. Onder Morales is ook de materiële positie van de inheemsen verbeterd. Toch is de inheemse rurale bevolking nog steeds een van de armste en meest gediscrimineerde bevolkingsgroepen in Latijns Amerika. Zo’n 90 procent van de (overwegend inheemse) plattelandsbevolking kan de basisbehoeftes onvoldoende dekken en ruim de helft van de plattelandskinderen verlaat het onderwijs zonder diploma. Daardoor zijn er te weinig hoogopgeleide inheemse jongeren beschikbaar voor leidinggevende posities in de samenleving. Door deze en andere factoren verkeert het emancipatieproces van een etnische meerderheid, ondanks de recente verworvenheden, pas in een beginfase.

Pim Verhallen woonde van 1971 tot 1978 in Bolivia. Van 1982 tot 2011 werkte hij bij ICCO, onder andere als hoofd van de afdeling Latijns Amerika.

Deze bijdrage is onderdeel van de Bolivia special (april/mei 2021)

 

Geschiedenis van Bolivia in jaartallen

 

Ong. 800 Ondergang Tiwanaku-cultuur: centraal geleide samenwerking van Aymara-sprekende groepen in de hooglanden ten zuiden van het Titicacameer in wat nu Bolivia is.
1430 Inca Pachacutec en Inca Yupanqui brengen deze Aymara’s onder in het Incarijk. Ze behouden het recht op eigen taal, als enigen in het rijk.
1535 Spaanse troepen van Pizarro bereiken het gebied.
1545 Rijkdom van de ‘Zilverberg’ Potosí ontdekt. Stad groeit snel tot grootste stad van westelijk halfrond.
1559 Spaanse bestuur sticht koninklijke ‘Audiencia’ (rechterlijk en bestuurlijk lichaam onder gezag van de onderkoning in Lima) in Charcas, het huidige Sucre.
1560 Eerste tekenen van inheems verzet tegen gedwongen kerstening, met o.a. de Taki Onkoy, de ‘ziekte van de dans’.
1572 Onderkoning hertog van Toledo kondigt mita (verplichte tewerkstelling) in mijnen Potosí af.
1600-1750 Gestage neergang zilverproductie Potosí, toename inheems verzet tegen belastingen en misbruiken.
1780-1781 Gebroeders Katari organiseren eerste opstanden tegen toenemende druk op inheemse gemeenschappen, zes maanden beleg van La Paz.
1809 Vanuit Buenos Aires eerste pogingen de regio te bevrijden van de Spanjaarden.
1825 Onafhankelijkheid uitgeroepen. Nieuwe natie genoemd naar Simon Bolívar, bevrijder van Latijns Amerika. Bolívar kort eerste president.
1829-1879 Eerste jaren onafhankelijkheid moeizaam. Oorlogen met Argentinië en Chili en conflicten met o.a. Brazilië leiden tot territoriumverlies. Politieke instabiliteit en zwakke economische basis. Inheemsen blijven de facto horigen.
1879 N.a.v. spanningen over salpeter- en nitraatreserves aan de kust verklaart Bolivia samen met Peru oorlog aan Chili. Verliest dat gebied aan Chili en daarmee uitgang naar zee. Vastgelegd in internationaal verdrag 1897, maar blijvende bron van spanning.
1892 Grote opstand laaglandbewoners, die steeds grotere gebieden kwijtraakten aan kolonisten. Door militair ingrijpen vanuit Santa Cruz worden chiriguano-groepen in de Oriente vrijwel uitgeroeid.
1898 Burgeroorlog over conflict centraal bestuur versus federalisme, maar ook tussen conservatieven en liberalen.
1900-1932 Na 1900 opleving economie, dankzij productie van rubber, tin en quinine, waarnaar in WO I grote vraag is. Mijnbouw, tot ontdekking van aardolie en gas, voornaamste economische basis.
1932-1935 Bolivia verklaart Paraguay de oorlog in de zuidoostelijke Chaco om toegang tot Atlantische kust via Paraguay-rivier om verlies aan havens te compenseren. Bolivia verliest oorlog: 65.000 doden en gewonden en gebiedsverlies. Slachtoffers overwegend Aymara en Quechua van de hoogvlakten.
1945 Verloren oorlog leidt tot politieke opleving onder jongere Aymara en Quechua. Eerste massale inheemse Congres. Afschaffing van de mita en (op papier) van horigheid.
1952 Deze dynamiek door Movimiento Nacionalista Revolucionario (MNR) gekanaliseerd. Revolutie met landhervorming en algemeen kiesrecht, die Boliviaanse politiek voorgoed verandert.
1952-1964 MNR in de regering radicaliseert onder druk van andere linkse partijen en vakbeweging.
1964 Leger grijpt macht met steun van de Verenigde Staten.
1964-1982 Vaak wisselende harde militaire regimes, verlies van democratische rechten, geweld tegen burgers.
1982 Economisch wanbeheer, torenhoge inflatie en verlies van VS-steun dwingen militairen terug naar kazernes.
1984 Economische crisis houdt aan. Minister van Economische Zaken Sánchez de Lozada met harde, neoliberale ingreep, waarbij lonen worden bevroren en staatsbedrijven geprivatiseerd. Staatsmijnbedrijf COMIBOL geliquideerd met enorme werkloosheid tot gevolg.
1993-2003 Eerste en tweede presidentschap van Sánchez de Lozada met o.a. privatisering watervoorzienig en ‘wateroorlog’. Sánchez gedwongen te vertrekken.
2003-2006 Politiek activisme van inheemse gemeenschappen neemt toe. Sterke opkomst inheemse partijen, o.a. MRTK en MAS. EGTK kiest voor gewapende oppositie.
2005 Evo Morales van de MAS (Movimiento al Socialismo) eind 2005 met 54 procent van de stemmen gekozen als eerste inheemse president.
2006-2019 Presidentschap Morales. Nieuwe grondwet met meer rechten voor de grote etnische groepen en hun gemeenschappen: alle 37 ‘eigen’ talen erkend als officiële talen van de nu Plurinationale Republiek. Grotere autonomie van betrokken etnische groepen. Met economische wind in de zeilen (hoge prijzen voor grondstoffen) en grote populariteit kan Morales tweemaal zijn presidentiële termijn verlengen. Investeringen in onderwijs, medische zorg en rechtsbescherming.
2019 Bij presidentsverkiezingen niet bevestigd vermoeden van fraude. Morales vertrekt onder druk van leger en politie in ballingschap.
2020 Nieuwe presidentsverkiezingen: Luís Arce Catacora van MAS winnaar. Morales aan de zijlijn.

Gerelateerde berichten

Luis Arce treedt in voetsporen van Morales – eerste halve jaar als president van Bolivia

Luis Arce treedt in voetsporen van Morales – eerste halve jaar als president van Bolivia

Na een onderbreking van een jaar, met een interim-regering onder de rechts-conservatieve Jeanine Añez, is de linkse partij MAS opnieuw aan de macht in Bolivia. In oktober 2020 behaalde Luis Arce in de eerste verkiezingsronde 55 procent van de stemmen, waarmee hij de nieuwe president werd. Hij erfde een politiek verdeeld land met een kwakkelende economie en een diepe gezondheidscrisis. Hoe heeft hij in het eerste half jaar van zijn presidentschap deze problemen aangepakt?

Lees meer
agsdi-globe

Politiek & Maatschappij

agsdi-portrait

Kunst & Cultuur

agsdi-camera

Vrije tijd & Toerisme

agsdi-income

Economie & Ondernemen

agsdi-leaves

Milieu en Natuur

agsdi-learn

Onderzoek & Wetenschap

Blijf op de hoogte

Adverteren op onze website?

Dat kan! Tegen een scherp tarief plaatsen wij uw advertentie.

Ontvang onze nieuwsbrief

Schrijf u in en ontvang onze digitale nieuwsbrief met een overzicht van onze nieuwe artikelen.

Volg ons op social media

Wees als eerste op de hoogte van nieuwe artikelen en deel artikelen met uw netwerk.

Share This