Kunst & Cultuur

Cocabladeren kauwen is eeuwenoude traditie…

26 april 2021

Els Hortensius

… maar de oorsprong van cocaïne ligt in Europa

Coca en cocaïne. Voor sommigen, zoals de leden van de International Narcotics Control Board, is dit hetzelfde en moeten beide bestreden worden. Voor anderen, zoals de bevolking van Bolivia en Peru, is er een groot verschil en behoort het kauwen van cocabladeren onlosmakelijk tot de eigen cultuur. La Chispa dook in de geschiedenis en de rol van de Europeanen bij de ontwikkeling en productie van cocaïne.

Toeval bestaat niet, zegt men. Dus het is vast geen toeval dat ik, op de dag dat ik wil beginnen om voor onze Bolivia special een stukje over coca te schrijven, op mijn Weet je nog? Scheurkalender (met iedere dag een soms meer, soms minder bizar feitje uit een ver of recenter verleden) het volgende lees: “Op 12 maart 1900 werd in Amsterdam de Nederlandse Cocaïnefabriek (NCF) opgericht. Deze fabriek produceerde op grote schaal cocaïne voor medicinale doeleinden uit in Nederlands-Indië geteelde cocaplanten.” Cocaplanten in Nederlands-Indië? En een cocaïnefabriek in Amsterdam? Daar wil ik meer van weten.

Maar we beginnen bij het begin. De oorsprong van de cocaplant ligt natuurlijk niet in Azië, maar in Zuid-Amerika, of meer precies in de Andesregio. Daar werd in het noorden van Peru het oudste cocablaadje, met een leeftijd van maar liefst achtduizend jaar, gevonden. Het betekent dat de cocaplant de eerste plant is die in Zuid-Amerika werd gecultiveerd. De plant heeft een geneeskrachtige werking en speelt een belangrijke rol bij religieuze ceremoniën. Daarnaast is er het sociale aspect: coca kauwen doe je samen en je deelt de blaadjes, die je bij je draagt in je chuspa (tasje), met elkaar. Tijdens het kauwen komen verschillende stoffen vrij die licht verdovend en stimulerend werken en waardoor je minder honger voelt.

Duivel

De Inca’s erfden het gebruik van cocaplanten van oudere beschavingen. Voor hen was het een heilige plant en zij beperkten de consumptie ervan tot de heersende klasse. De enige uitzondering hierop vormden de chasquis, de jonge renners die over grote afstanden boodschappen brachten, en de kinderen die geofferd werden. Alleen bij een uitzonderlijke hongersnood mocht ook het gewone volk cocabladeren kauwen. Toen na de val van het Incarijk – in 1572 werd de laatste Inca-heerser, Tupac Amaru, door de Spanjaarden vermoord – de controle op de consumptie verdween, werd cocakauwen een algemeen gebruik.

Dit werd al snel weer verboden door de Spaanse overheersers die het cocakauwen als iets van de duivel zagen. Maar dat duurde niet lang, want toen de Spanjaarden ontdekten dat de inheemse mijnwerkers zonder coca minder uithoudingsvermogen hadden, gingen ze het gebruik juist weer stimuleren. En door de coca kon ook op het voedsel bezuinigd worden.

Van coca naar cocaïne

Ontdekkingsreizigers waren de eersten die vanaf 1550 cocabladeren meebrachten naar Europa. Maar omdat de bladeren op de lange reis hun werking verloren, sloeg het gebruik ervan niet aan. Bovendien bestond in Europa geen cultuur van bladeren kauwen. In de negentiende eeuw raakten westerse wetenschappers geïnteresseerd in de effecten van coca. De jonge Duitse scheikundige Albert Niemann bleek rond 1860 als eerste in staat cocaïne uit de cocabladeren te isoleren. “Het heeft een bittere smaak en bevordert speekselvorming,” schreef hij over zijn bevindingen. “Wanneer je het op de tong legt, laat het een vreemde gevoelloosheid achter, gevolgd door kou.” Niemann stierf een jaar later, niet aan cocaïneverslaving maar waarschijnlijk aan de gevolgen van mosterdgas, waarvan hij ook een van de eersten producenten was.

In eerste instantie was iedereen enthousiast over dat nieuwe product, cocaïne. Zoals Sigmund Freud, die cocaïne op zichzelf uitprobeerde en mogelijkheden zag om het middel te gebruiken tegen astma, maagdarmstoornissen en alcohol- en morfineverslaving. Een Duitse arts constateerde dat soldaten met minder voedsel toekonden bij gebruik van cocaïne, handig in tijden van oorlog. Maar al snel (we schrijven nu eind jaren tachtig van de negentiende eeuw) ontdekten wetenschappers dat cocaïne verslavend is en dat gebruikers erdoor in de problemen kunnen raken.

Nederland grootste producent cocabladeren

Inmiddels hadden Nederlandse handelaren door dat er geld te verdienen was met de teelt van cocaplanten. In het begin kwamen alle cocabladeren uit Bolivia en Peru. De Nederlanders brachten in 1878 een lading cocaplanten naar de Hortus Botanicus op Java en begonnen korte tijd later met het commercieel verbouwen van coca op Java, Madura en Sumatra. Volgens historicus Marcel de Kort, die in 1994 promoveerde op de geschiedenis van het Nederlandse drugsbeleid, leverde de cocaverbouw Nederland tussen 1878 en 1915 ruim 700 miljoen gulden winst op. De teelt oversteeg al snel de productie in Peru en Bolivia en maakte van Nederland vanaf het einde van de negentiende eeuw de grootste producent van cocabladeren ter wereld.

Nederland was daarnaast al heel lang een belangrijke opiumproducent, waarbij het de producenten centen niet interesseerde dat steeds meer bewoners van het toenmalige Nederlands-Indië verslaafd raakten. Tussen 1907 en 1914 groeide de export van cocabladeren vanuit Java van tweehonderd ton tot maar liefst 1300 ton. In Amsterdam was in 1900 de hierboven al genoemde Nederlandse Cocaïne Fabriek (NCF) opgericht, waar de cocaplanten tot cocaïne verwerkt werden. De NCF was weliswaar niet de enige cocaïnefabriek in Nederland in die dagen en de meeste cocaïne kwam uit Duitse fabrieken.

Weerstand

In de eerste decennia van de twintigste eeuw groeide internationaal de weerstand tegen verslavende drugs als opium en cocaïne. De geschiedenis rond de Nederlandse productie gaf al een blik in de toekomst: smokkel, frauderende ambtenaren en verslaafden, alles om zoveel mogelijk geld te verdienen. Vanaf 1931 werd de productie van cocaïne aan banden gelegd en richtte de fabriek zich vooral op andere, toen nog legale, drugs als heroïne en opium. Na de Tweede Wereldoorlog was het snel gedaan met de handel en produceerde de NCF alleen nog cocaïne voor medisch gebruik. De NCF is uiteindelijk opgegaan in Akzo Nobel. En ook vandaag de dag wordt cocaïne nog voor medische doeleinden gebruikt, vooral als verdovend middel bij operaties door KNO-artsen. De Inca’s hadden immers al ontdekt dat de bladeren van de cocaplant verdovend werken.

De plantages in Indonesië zijn ook allang verdwenen. Sinds 1961 is het telen van cocaplanten wereldwijd verboden, op enkele uitzonderingen na. Peru en Bolivia kregen van de International Narcotics Control Board (INCB) van de Verenigde Naties vijfentwintig jaar de tijd om het gebruik van cocablaadjes in hun land uit te roeien. En terwijl de INCB niet ophoudt de Boliviaanse en Peruaanse regeringen regelmatig aan de internationale afspraak te herinneren, gaat het gebruik van coca zestig jaar later natuurlijk gewoon door.

Een missie van de INCB bracht eind 2007 een bezoek aan Bolivia en constateerde met voldoening dat de regering van Evo Morales een nationale drugscontrole strategie had aangenomen om de illegale en criminele productie en handel in cocaïne tegen te gaan. Maar tegelijkertijd was de INCB bezorgd want ja, tegen het kauwen van cocablaadjes werd niets gedaan. Integendeel, in 2009 diende Bolivia een verzoek in om het kauwen van cocabladeren uit het Enkelvoudig Verdrag inzake Verdovende Middelen van 1961 te halen. Maar hoewel slechts zeventien van de 184 landen tegen dit Boliviaanse verzoek bezwaar aantekenden, blijft cocakauwen vooralsnog verboden. Nederland behoorde trouwens niet tot deze zeventien landen.

Onschuldige blaadjes

Het is niet de eerste keer dat La Chispa aandacht schenkt aan coca. In september 1992 wijdde het tijdschrift Alerta, voorloper van La Chispa, het omslagartikel aan het gebruik van het cocablad door de inheemse bevolking van Bolivia en Peru, inclusief een gebruiksaanwijzing hoe je coca kauwt. “Om de lezer in de gelegenheid te stellen zelf een oordeel te vellen over coca”, was in elk exemplaar een cocablaadje geplakt. Een oplettende postbeambte stak hier echter een stokje voor en de voor verzending afgegeven bladen werden in beslag genomen. Op het omslag stond namelijk vermeld: “bevat 0,05% cocaïne”.

“Zelden sloeg een redactioneel van Alerta de spijker meer op de kop: ‘Het Westen weet niet goed raad met coca’. De overspannen reactie van Justitie tegen de onschuldige blaadjes bewijst dat in het Westen nog veel onbekend is over het product dat al duizenden jaren, zonder nadelige gevolgen, in de Andes gebruikt wordt.” Dit liet de redactie weten in een naschrift, met de mededeling dat het cocablad verwijderd was en vervangen door de veel sterkere, maar niet verboden koffieboon, zodat het tijdschrift toch verspreid kon worden. Alerta tekende bezwaar aan tegen de actie van Justitie en in maart 1994 kwam de zaak voor de rechter. Die oordeelde dat Alerta weliswaar schuldig was, maar zag af van het opleggen van een straf, conform de eis van de officier van justitie.

Toenmalige Alerta-redacteur Edwin Koopman bood de rechter nog een kopje cocathee aan, om haar zo te overtuigen dat het cocablad dan wel de grondstof voor cocaïne kan zijn, maar in zijn zuivere vorm als thee onder andere verlichting kan brengen aan reizigers op grote hoogte. Zo dronk zelfs paus Johannes Paulus II een kopje cocathee dat hem werd aangeboden bij zijn bezoek aan La Paz in 1988. Coca bevordert namelijk de opname van zuurstof door het bloed, waardoor je minder last hebt van hoogteziekte. De Nederlandse rechter sloeg de vers gezette thee trouwens af.

Geen verwijde pupillen of mooie visoenen

Die heilzame werking van cocathee was natuurlijk ook mij en mijn collega’s van de Andesregio bij ontwikkelingsorganisatie ICCO bekend. Dat gold echter niet voor de collega’s van andere afdelingen. Begin jaren negentig kreeg ik van een van de partnerorganisaties in Peru drie pakken met cocathee cadeau: “Voor je collega’s!”. Ik reisde via Miami en besloot de pakken thee open en bloot in een gele Schipholtas mee te nemen. Mocht er onverwacht een Amerikaanse douaneambtenaar bezwaar maken, dan speelde ik onwetendheid en zou ik de thee (met pijn in het hart, dat wel) achterlaten. Maar niemand zei er iets van. Terug op kantoor plaatste ik een ‘advertentie’ in het personeelsblad. Iedereen kon gratis een paar zakjes bij mij afhalen om te proberen. Maar de thee stelde veel collega’s teleur: niets gemerkt, zelfs geen verwijde pupillen! “Ik ga er dit weekeinde rustig voor zitten, en dan laat ik het over me heen komen.” Tja, geen mooie visioenen, niets… Wij van de Andesregio hadden nog wel wat aan voorlichting te doen.

Deze bijdrage is onderdeel van de Bolivia special (april/mei 2021)

Bronnen: archief Alerta/La Chispa, website Transnational Institute, Boliviacentrum Antwerpen, website caserita.com, Andere Tijden, website Rob Scholtemuseum/onderzoek Sybilla Claus

Gerelateerde berichten

agsdi-globe

Politiek & Maatschappij

agsdi-portrait

Kunst & Cultuur

agsdi-camera

Vrije tijd & Toerisme

agsdi-income

Economie & Ondernemen

agsdi-leaves

Milieu en Natuur

agsdi-learn

Onderzoek & Wetenschap

Blijf op de hoogte

Adverteren op onze website?

Dat kan! Tegen een scherp tarief plaatsen wij uw advertentie.

Ontvang onze nieuwsbrief

Schrijf u in en ontvang onze digitale nieuwsbrief met een overzicht van onze nieuwe artikelen.

Volg ons op social media

Wees als eerste op de hoogte van nieuwe artikelen en deel artikelen met uw netwerk.

Share This