Economie & Ondernemen

Verticale complementariteit

18 mei 2021

Jan de Kievid

Uniek economisch stelsel in precolumbiaans Bolivia

Al voor de komst van de Inca rond 1430 hadden Andesbewoners een succesvol ‘verticaal’ economisch systeem ontwikkeld. Daarbij maakten ze creatief gebruik van de mogelijkheden van de uiteenlopende hoogte- en klimaatzones. Op basis van wederkerigheid droegen bewoners van de verschillende zones bij aan een zelfvoorzienende economie met een gevarieerd voedselpakket. Grote voorraden konden in slechte tijden hongersnood voorkomen. Met de Spaanse kolonisatie kwam een einde aan dit unieke systeem.

Toen de Spanjaarden vanaf 1532 het gebied van het huidige Bolivia binnendrongen, waren daar de Andeshoogvlakten nogal dicht bevolkt met relatief welvarende bewoners met vrijwel altijd voldoende en gevarieerd voedsel. Er waren ook geen verhalen over hongersnoden. Dat alles was opmerkelijk en in andere hooggebergten, zoals de Himalaya, vrijwel onbekend. Het bestaan op grote hoogte, zo vanaf 4000 meter, is immers koud en hard en hier kan slechts een beperkt aantal gewassen worden verbouwd. Daarmee alleen kun je niet voldoende zelfvoorzienend zijn.

Tropische zon, donkere vrieskou

De Noord-Amerikaanse antropoloog John Murra (1916-2006), die de Andeseconomie grondig bestudeerde, noemde dit succes “zonder twijfel de grootste prestatie van de Andesbewoners: hun systematische kennis en gebruik van de hoogvlakte, een unieke prestatie in de geschiedenis van de landbouw”. Dit succes was vooral zichtbaar rond het Titicacameer en meer zuidelijk in het gebied rond Charcas (tegenwoordige Sucre).

Volgens Murra maakten drie ontwikkelingen deze uitzonderlijke situatie mogelijk. Allereerst slaagden Andesbewoners er al zeker 4000 jaar voor Christus in lama’s en alpaca’s te temmen. Dat leverde vlees en wol op. Daarbij ontwikkelden ze ook een gespecialiseerde kennis van planten en voedselgewassen: welke gedijden het beste op welke hoogten en klimaatzones en hoe je ze kon verbeteren. Door het leven op grote hoogten ontdekten ze – het tweede punt – hoe ze voedsel konden bewaren. Op de hoogvlakten is het ’s nachts bar koud, maar zorgt de zon overdag vaak voor behoorlijke hitte. Ieder dierlijk of eetbaar plantaardig weefsel kan, als het wordt blootgesteld aan frequente wisseling tussen tropische zon en donkere vrieskoude, worden omgezet in voedzame etenswaar die jaren bewaard kan worden zonder te verrotten. Zo konden reserves worden opgebouwd voor tijden met slechte oogsten en hongersnoden voorkomen.

Zeevis en zout

Dat loste echter het probleem niet op dat op de hoogvlakte of iets lager alleen aardappels, knolgewassen sommige en soms quinoa geteeld konden worden. De meeste voedselproducten moesten van lager liggende gebieden komen. Daarom zonden hoog wonende etnische groepen daar kolonisten heen om controle over die gebieden en hun voedsel te krijgen. Uit valleien en lagere gebieden kwamen maïs, quinoa, tarwe, vis, fruit, bonen en ook coca. Nog lager in het westen was er zeevis en zout uit zee (tien dagen lopen vanaf het Titicacameer) en in het oosten onder andere hout uit het Amazonewoud.

Zo kregen etnisch- en verwantschapsgroepen steeds meer verticale controle – van hoog tot laag – over het voedsel. Dat vereiste – het derde punt – een strakke organisatie, waarbij lokale leiders (kurakas) de werktaken en opbrengsten over de bevolking verdeelden. In de uiteenlopende hoogte/klimaatzones was op verschillende tijden veel werk te doen. Daardoor konden mensen tijdelijk in een hogere of lagere zone werken zonder hun eigen zone te verwaarlozen. Ook moest voedsel tussen de zones worden uitgewisseld. Dit alles leverde een enorme mobiliteit op, waarbij veel mensen jaarlijks een tijd ergens anders woonden.

Geen markten

Er was sprake van een ‘verticale economie’ als een etnische groep gebieden in verschillende zones onder controle had. Daarbij waren in lagere gebieden vaak verschillende etnische groepen in hetzelfde gebied actief. Er functioneerden nauwelijks markten, maar er waren wel pakhuizen of magazijnen met voedselvoorraden voor slechte tijden en om al die mobiele mensen te voeden. Het stelsel functioneerde door complementariteit (met elkaar aanvullende zones) en reciprociteit (wederkerigheid), waarin bewoners van de verschillende zones elkaar met werk en leveren van voedsel ondersteunden. Dat was, in de woorden van historicus Michiel Baud, “gebaseerd op complexe ruilverhoudingen”. Verticale controle, complementariteit en reciprociteit zorgden dat de etnische groepen zelfvoorzienend waren, een gevarieerd voedselpakket hadden en risico’s konden beperken.

Een bepaalde groep had meestal een aantal stukken land onder controle die niet op elkaar aansloten, maar als een ‘eilandjes’ op het droge een soort ‘verticale archipel’ vormden. Soms ging het om groepen van totaal 3.000 tot 20.000 mensen, maar bij grotere om meer dan 100.000. Het politieke en economische centrum lag meestal tamelijk hoog, boven de 3.400 meter, maar nog onder de hoogvlakten. Een hoge plek was makkelijker te verdedigen en deze klimaatzone was koud genoeg om voedsel te bewaren. Van de centrumplaats konden bij de kleinere groepen de meest afgelegen ‘eigen’ gebieden in drie of vier dagen lopen worden bereikt. Bij de grotere groepen was daarvoor soms tien dagen nodig.

Pakhuizen

Van groot belang voor stabiliteit en zekerheid waren de pakhuizen met voedsel en soms ook textiel. Die werden al voor de komst en verovering van het gebied door de Inca vanaf ongeveer 1430 gebouwd, maar werden door de Inca fors uitgebreid en vergroot. Bij de plaats en bouw van die pakhuizen werd gekeken hoe ze voordeel konden hebben van minieme verschillen in zonlicht, wind en vochtigheid. Er waren toen duizenden pakhuizen met voorraden in afgelegen hooggebergten, waarvan reizigers, kooplieden met dragers, militairen en priesters op weg naar heiligdommen gebruik konden maken. Er lag onder andere maïs, gedroogde aardappelen, bonen, groenten, gedroogd vlees, wollen en katoenen kleren, schoenen en wapens. Archeologen hebben resten van pakhuizen gevonden met een totale capaciteit van 18.000 kubieke meter. Dat staat gelijk aan een gebouw van 90 bij 40 vierkante meter met een hoogte van 5 meter.

Ook Spaanse conquistadores profiteerden van deze pakhuizen. Zonder deze voorzieningen hadden Diego de Almagro en zijn mannen in 1535-1537 onmogelijk de lange en barre tocht kunnen maken door duizenden kilometers onbewoonde en onherbergzame gebieden naar wat nu Chili en Argentinië is.

Aardewerk

Onze kennis van deze bijzondere verticale economie berust vooral op de verslagen van Spaanse conquistadores en bestuursambtenaren van wat ze aantroffen en wat ze van indianen hoorden over hun verleden. Sommigen hebben nauwkeurige aantekeningen gemaakt, maar er is ook veel niet genoteerd of verloren gaan. Daarnaast is er archeologisch materiaal, bijvoorbeeld van nederzettingen. Ook wordt bestudeerd welk aardewerk wanneer uit andere streken is ingevoerd of welk voedsel uit andere zones de bewoners aten.

Dat is zeer waardevol, maar ook nog steeds vrij beperkt materiaal. We weten bijvoorbeeld weinig over conflicten en hoe die werden opgelost. Ook is er nog geen duidelijk antwoord op de vraag wanneer deze verticale economie begon en in welk tempo die zich verspreidde. Het is wel zeer waarschijnlijk dat dit al het geval was voor de komst van de Inca rond 1430. Een belangrijke voorwaarde voor het succes hiervan was waarschijnlijk dat het gebied enigszins veilig was en niet werd geteisterd door gewelddadige conflicten tussen etnische groepen of grotere politieke eenheden. Dat zou een effectieve uitwisseling van mensen en goederen over lange afstanden erg hebben bemoeilijkt.

Ook over waarom dit succesvolle stelsel ontstond, bestaat nog discussie. Zeker waren temmen van dieren, goed selecteren van gewassen, gebruik van koude en hitte voor conserveren van voedsel, duidelijke politieke structuren en wederkerigheid belangrijke voorwaarden om te slagen. Maar waarom veel bewoners vervolgens de weg van de verticale economie zijn ingeslagen, is niet erg duidelijk. Volgens sommige onderzoekers is het doorbreken van deze verticale controle vooral het gevolg van bijzondere politieke omstandigheden, iets waar Murra weinig aandacht voor had.

Verdwijnen

Terwijl over het ontstaan van de ‘verticale archipel’ nog veel in nevelen is gehuld, bestaat meer duidelijkheid over het vrijwel verdwijnen ervan. Daarover zijn ook veel meer bronnen. Onder het Incabewind van ongeveer 1430 tot de komst van de Spanjaarden in 1532 werd al getornd aan de wederkerigheid. De veroveraars legden de bewoners steeds meer eenzijdige verplichtingen op. Dat werd nog veel sterker onder het Spaanse koloniale bewind dat nog meer werk, zoals in de mijnen, en tribuut in geld (dat in de verticale economie weinig betekende) van de bevolking ging eisen.

Ook de Spaanse omgang met gemeenschappelijke grondgebied van de inheemse bevolking maakte het voortbestaan van de verticale economie moeilijk. Vaak werden inheemsen in aparte nederzettingen (reducciones) bijeengebracht, waar de Spanjaarden ze beter konden controleren. Inheemse gemeenschappen raakten ook grond kwijt aan Spaanse veroveraars en hun nakomelingen die grootgrondbezit verwierven: haciendas en latifundios. Vanaf eind negentiende eeuw bracht wetgeving die op basis van liberale eigendomsideeën individueel landbezit bevorderde de gemeenschappen nog verder in de problemen. Ook de Boliviaanse revolutie van 1952 deed weinig ter ondersteuning van gemeenschappelijk indiaans grondbezit.

Toekomst

Toch zijn er wat restanten over van die succesvolle Andeseconomie. Veel wegen uit de tijd van de verticale economie zijn nog steeds in gebruik. En leden van sommige etnische groepen hebben nog steeds twee woonplaatsen en werken een deel van het jaar in hun groentetuin op afstand van hun hoofdverblijf. Murra bleef enthousiast: “De ecologische complementariteit was een opmerkelijke menselijke prestatie die de Andesbeschavingen tot stand brachten om een hoge productiviteit te bereiken en zo in de behoeften te voorzien van grote aantallen inwoners in een diverse omgeving. De complementariteit helpt ons om de unieke positie van dit Andes-succes te begrijpen in het repertoire van menselijke ervaringen; en het is mogelijk dat het zelfs op toekomstige mogelijkheden wijst.”

Deze bijdrage is onderdeel van de Bolivia Special (april-mei 2021)

Bronnen: o.a. John V. Murra, El Mundo Andino: Población, Medio Ambiente y Economía (2002), Thomson e.a. (red.), The Bolivia Reader (2018), B.H. Slicher van Bath, Indianen en Spanjaarden (1989)

Gerelateerde berichten

Oogsten, koken en eten op grote hoogte

Oogsten, koken en eten op grote hoogte

Bolivia en eten, dan denk je al snel aan de aardappel, wel duizenden verschillende soorten. Maar er wordt meer verbouwd in dit land met drie klimaatzones, waardoor de keuken kan beschikken over een grote diversiteit aan ingrediënten. Toch is Bolivia nog weinig internationaal bekend vanwege zijn keuken of topkoks. In 2013 opende restaurant Gustu z’n deuren in La Paz, opgericht door de culinair ondernemer van een van ´s werelds toprestaurants, Noma uit Denemarken. Heeft dit tot nieuwe ontwikkelingen geleid in de Boliviaanse keuken?

Lees meer
agsdi-globe

Politiek & Maatschappij

agsdi-portrait

Kunst & Cultuur

agsdi-camera

Vrije tijd & Toerisme

agsdi-income

Economie & Ondernemen

agsdi-leaves

Milieu en Natuur

agsdi-learn

Onderzoek & Wetenschap

Blijf op de hoogte

Adverteren op onze website?

Dat kan! Tegen een scherp tarief plaatsen wij uw advertentie.

Ontvang onze nieuwsbrief

Schrijf u in en ontvang onze digitale nieuwsbrief met een overzicht van onze nieuwe artikelen.

Volg ons op social media

Wees als eerste op de hoogte van nieuwe artikelen en deel artikelen met uw netwerk.

Share This