Economie & Ondernemen

Gaat het dan economisch toch de goede kant uit met Latijns-Amerika? De regio en de OESO – Deel 2: de drie C’s, Chili, Colombia en Costa Rica

1 september 2020

Auteur: Frank Bron

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, OESO (ook bekend onder haar Engelse afkorting OECD) geldt als de ‘elite’ onder de ongeveer tweehonderd landen op aarde. Sinds haar oprichting net na de Tweede Wereldoorlog, functioneerde de organisatie als een soort economische zuster van de NAVO. Na verloop van tijd traden ook bondgenoten van de Verenigde Staten van buiten het Noord-Atlantisch gebied toe, zoals Australië en Japan. Sinds het eind van de Koude Oorlog is de organisatie zich aan het oriënteren buiten het ‘traditionele westen’, en met name Latijns-Amerika is een groeigebied. In een tweetal artikelen zocht La Chispa uit hoe een land lid wordt van de OESO en wat daarbij de voorwaarden en voordelen zijn.

In het eerste artikel zijn de achtergronden van de organisatie geschetst en werd stilgestaan bij de toetreding in 1994 van het eerste Latijns-Amerikaanse land: Mexico. In dit tweede artikel zullen de toetreding van Chili, Colombia en, binnenkort, Costa Rica bekeken worden. Zoals in het eerste artikel beschreven, is de OESO meer dan een club van rijke landen. Het is een denktank, studieorganisatie, overlegorgaan en promotor van democratie en goed (economisch) bestuur in de hele wereld. Daarbij is zij een weliswaar (neo)liberale, maar vooral pragmatische voorvechter van vrijhandel voor economische ontwikkeling waarbij iedereen baat zou moeten hebben. Bovenal verschaft lidmaatschap van deze organisatie status, vooral bij overheden die zich graag spiegelen aan het Noord-Atlantisch gebied.

Meer dan elders lijken Latijns-Amerikaanse politici geïnteresseerd in nauwe banden met de OESO, gezien de grote belangstelling voor de regionale initiatieven van de organisatie. Dat kan komen doordat veel landen al nauwe banden hebben met de Verenigde Staten en de Europese lidstaten als tegenwicht zien voor te veel Noord-Amerikaanse invloed.

Sinds het einde van de Koude Oorlog (1991) is de OESO zich meer buiten het Noord-Atlantisch gebied gaan oriënteren. Hoewel sommige regeringen weinig interesse in lidmaatschap tonen (India, Brazilië), geen open markteconomie hebben (China, Cuba) of om andere redenen geen lid kunnen of willen worden, worden de OESO-analyses en aanbevelingen overal serieus bestudeerd, vooral om te kijken hoe het eigen land ‘scoort’ ten opzichte van buurlanden. Naast Midden-Europese landen worden sindsdien vooral Latijns-Amerikaanse lid. Dat lijkt erop te duiden dat in sommige van deze landen sprake is van aanhoudende economische groei en goed bestuur, terwijl ook andere overwegingen een rol kunnen spelen bij deze uitbreiding

Grootste mijnbouwbedrijf

Na de moeizame uitbreiding met Mexico (zie deel 1, Mexicaanse Verrassingen) richtte de OESO zich eerst op aansluiting van jonge markteconomieën van Midden-Europa: Tsjechië trad in 1995 toe, Polen en Hongarije in 1996, net als Zuid-Korea, met Japan momenteel het enige Aziatische lid (er zijn geen Afrikaanse leden). Intussen wilde ook Chili de banden met de OESO versterken. Na jarenlange onderhandelingen werd het in 2010 als lid geaccepteerd; het eerste in Zuid-Amerika. Hoewel qua omvang een regionale middenmoter, gold de Chileense economie als een van de meest solide van Latijns Amerika. Bovendien kende Chili al vanaf 1990 een stabiele economische groei met bijbehorende integratie in de wereldmarkt. Ook de linkse president Michelle Bachelet die de toetredingsverklaring ondertekende, voerde nog steeds een neoliberaal economisch beleid zoals ingezet tijdens de militaire dictatuur (1973 – 1990), zij het met sociale correcties.

Dat de economie al exportgericht was en het land relatief welvarend maakte Chili interessant voor producten en diensten uit andere lidstaten en een geschikte springplank naar markten in Zuid-Amerika. De economische agenda’s van Chili en de OESO sloten uitstekend op elkaar aan: maximaliseren van economische groei door internationale handel als middel om welvaart te bevorderen. Daarnaast hoopte Chili haar eenzijdige export te diversifiëren door naast grondstoffen meer bewerkte producten te kunnen afzetten.

Leergeld

Toch had men op het OESO-hoofdkantoor in Parijs waarschijnlijk leergeld betaald met de toetreding van Mexico, want de overeenkomst met Chili telde niet minder dan 66 pagina’s aan tweetalige (Frans en Engels) voorwaarden en afspraken, 26 meer dan die met Mexico 16 jaar eerder. Bovendien waren – anders dan destijds bij Mexico – aan de voorwaarden waaraan Chili nog moest voldoen, zoals het legaal inkaderen van digitale spam, concrete data verbonden. De overeenkomst bevat enorm veel details, zoals over het bevroren bewaren van menselijke ei- en zaadcellen. Ook geeft het document een uitgebreid overzicht van de Chileense voorbehouden ten aanzien van OESO-afspraken. Toch zag president Bachelet (op de foto met OESO secretaris-generaal Gurría) de overeenkomst uiteindelijk trots als “een zeer krachtig signaal dat Chili een stabiel en betrouwbaar land is”, als een erkenning van Chili’s democratie en van het goede bestuur van het land. Volgens Bachelet zou het lidmaatschap leiden tot meer buitenlandse investeringen en meer internationale kansen voor Chileense bedrijven.

Ook de OESO was enthousiast. De Mexicaanse secretaris-generaal José Ángel Gurría zei: “De ‘Chileense manier’ en haar ervaringen zullen een verrijking zijn voor de OESO voor cruciale beleidsonderwerpen. De afgelopen bijna twintig jaar heeft het land een groot aantal krachtige democratische instituties voortgebracht en is erin geslaagd om stevige economische groei te combineren met verbeterde sociale zekerheid. Deze ervaringen zullen van toegevoegde waarde zijn voor de OESO als we gedeelde punten van zorg willen aanpakken zoals ongelijkheid en de levensvatbaarheid van pensioensystemen.”

Uitgewerkt

Na de toetreding nam Chili’s handel met andere OESO-landen inderdaad snel toe, met name de import. Het effect was echter na vijf jaar grotendeels uitgewerkt, maar slechter is Chili er niet van geworden. Bovendien was Chili al nauw verbonden met de wereldmarkt als ’s werelds grootste koperproducent; een derde van de wereldkoperproductie komt hier vandaan en staatsbedrijf Codelco is een van de grootste mijnbouwbedrijven ter wereld. Hoewel de OESO geen vrijhandelszone is, profiteren Chileense landbouw, veeteelt en visserij van betere, op elkaar afgestemde voorwaarden en afspraken om toegang te krijgen tot de lucratieve Europese, Noord-Amerikaanse en andere markten. Wijn was al een bekend exportproduct, daarnaast is zalm belangrijk geworden. Overheidsorganisatie ProChile speelt een actieve rol bij het promoten van het particuliere bedrijfsleven in het buitenland, vooral in de grote markten van andere OESO-leden.

Kortom, beide partijen geloofden in de zegeningen van vrije handel en economische groei. Er was zeker nog armoede in Chili maar als de economie maar goed groeide, zouden ook de armen profiteren. Dat deze zegeningen niet door alle Chilenen gevoeld werden, bewijzen de demonstraties tegen het beleid van de rechtse president Sebastián Piñera van eind 2019 waarbij miljoenen Chilenen ook toegang tot de rijkdom van het land eisten. Chili kent de grootste inkomensverschillen van alle OESO-landen. Door de economische groei is de armoede wel afgenomen, maar de ongelijkheid is even groot gebleven en het aan andere landen ten voorbeeld gestelde pensioenstelsel wordt intern door velen bekritiseerd.

Colombia houdt rechts

Terwijl Chili door grote kopervoorraden, betaalbare wijn en toerisme al geïntegreerd was in de wereldmarkt voordat het OESO-lid werd, lag dat voor het derde Latijns-Amerikaanse lid anders. In Colombia richtte president Álvaro Uribe Vélez zich sinds zijn aantreden in 2002 stevig op internationale contacten, internationale handel en particulier initiatief. Uribe trad aan als uitzondering tijdens de ‘linkse golf’ in de regio. Hoewel van ‘goed bestuur’ lang niet altijd sprake was en de burgeroorlog het land bleef verscheuren, begon de economie te groeien en zelfs buitenlandse investeerders aan te trekken. Staatsbedrijven werden verkocht en particulier initiatief werd gepromoot. De overheid verloor hier weliswaar grip op de economie mee en de armoede nam toe (wat de voedingsbodem voor geweld versterkte), maar de economie ging sneller groeien.

Uribe’s opvolger Juan Manuel Santos Calderón zette vanaf 2010 diens economische beleid voort en startte zelfs vredesonderhandelingen met de grootste guerrillabeweging, de FARC. Het land stabiliseerde en werd geleidelijk een grotere speler in de wereldeconomie. Onder Santos begon Colombia zich in 2013 voor te bereiden op het OESO-lidmaatschap. Nog datzelfde jaar reisde secretaris-generaal Gurría naar Bogotá om te praten over de voorwaarden van lidmaatschap.

Frisse wind

Bij die gelegenheid sprak Gurría van een nodige ‘frisse wind’ die Colombia in de OESO zou kunnen doen waaien: “Colombia heeft enkele uiterst interessante ervaringen opgedaan op divers gebied, waaronder een vereenvoudiging van regelgeving, digitaal bestuur, milieuvriendelijk openbaar vervoer, verkeerstechnologie en studiebeurzen”. Hij benadrukte dat het land met 47 miljoen inwoners de derde economie van Latijns-Amerika had en de banden van de OESO met de regio dus zou versterken. Als voorproefje van hoe Colombia zou gaan profiteren van lidmaatschap, kondigde Gurría de presentatie aan van OESO-studies over beleid, hervormingsbeleid en innovatie in Colombia, die zeker zouden bijdragen aan inclusieve en duurzame groei. Colombia nam de uitgestoken hand van de rijke wereld enthousiast aan. Binnen een half jaar overhandigde het land een Eerste Memorandum aan de OESO, waarin het haar standpunten betreffende niet minder dan 250 juridische onderwerpen uiteenzette. Daarbij werd de aanpassing van veel Colombiaanse wet- en regelgeving aan de OESO-voorwaarden benadrukt.

Santos slaagde er eind 2016 in om vrede te sluiten met de FARC, waarmee Colombia duidelijk aantrekkelijker werd voor buitenlandse investeringen. Na beoordelingsmissies door niet minder dan 23 verschillende OESO-werkgroepen konden Santos en Gurría (foto) op 30 mei 2018, vlak voor het einde van Santos’ ambtstermijn, de overeenkomst over het lidmaatschap ondertekenen. Die overeenkomst telde liefst 82 pagina’s (opnieuw half Frans, half Engels). Gurría roemde de vooruitgang van Colombia met onder andere het hervormen van het rechtsstelsel en het terugdringen van het informele karakter van de arbeidsmarkt. Dankzij OESO-aanbevelingen was er goed beleid opgezet rond watermanagement en gebruik van chemicaliën. De OESO dacht ook op andere terreinen een belangrijke rol te kunnen spelen, zoals bij het versterken van democratie en goed bestuur.

Een paar weken later werd Iván Duque Márquez tot president van Colombia gekozen. Hoewel hij zich tegen het vredesproces van zijn voorganger keerde, kwam de burgeroorlog niet (openlijk) terug. Ook bleef het economisch beleid gericht op de export van grondstoffen. Politiek bleef Duque rechts houden: een kleine overheid en een grote markt. Het land bleef aansluiting zoeken bij de rijkere landen van de wereld en versterkte de contacten met de OESO. Dat proces werd op 28 april 2020 bekroond met de ratificatie van het Colombiaanse lidmaatschap van deze club van rijke (en middeninkomen) landen.

Uit de hoge hoed

Het persbericht waarmee de OESO Colombia als 37e lid verwelkomde was kort en zakelijk. Wellicht het meest opvallende aan het bericht was de aankondiging dat een derde Latijns-Amerikaans land dat begint met een C, Costa Rica, op het punt stond toe te treden. Deze aankondiging kwam voor velen uit de hoge hoed: qua omvang van de economie zouden Brazilië en Argentinië waarschijnlijk kwalificeren, maar het investeringsklimaat in die landen houdt momenteel niet over. Peru en Panama spelen een belangrijke rol in de wereldhandel en binnen het Regionaal Programma van de OESO en Uruguay kent een goed bestuur, maar de 38e lidstaat wordt dus waarschijnlijk het kleine Costa Rica met qua BNP de 72e economie van de wereld. Volgens de Wereldbank staat de Costa Ricaanse bevolking qua koopkracht zelfs pas op de 88e plek. Op de Human Development Index van de Verenigde Naties staat het echter op een keurige 68e plek (‘Hoge Menselijke Ontwikkeling’). De Democratie Index van de Economist zet het land zelfs op een fraaie 19e plaats (na Uruguay beste van Latijns Amerika) en op de Corruptie Perceptie Index van Transparency International staat het 44e, als twee-na minst corrupte Latijns-Amerikaans land.

NRC Handelsblad roemde op 27 mei 2020 de opvallende welvaart en stabiliteit van Costa Rica in een regio waar landen als Honduras, Nicaragua en El Salvador kampen met grote politieke, sociale en economische problemen. Bovendien is de op landbouw en toerisme gebaseerde economie de afgelopen jaren getransformeerd naar een economie met een grote duurzame energiesector, export van medische apparatuur en een – volgens de World Happiness Index – zeer gelukkige bevolking. Onderhandelingen over toetreding begonnen in 2015 onder president Luís Guillermo Solis. Die hoopte “door aan te schuiven bij de andere leden… Costa Rica beter op de kaart te zetten, en meer handel, investeringen en toerisme te trekken. Hiervoor heeft het land de afgelopen jaren een lange reeks hervormingen moeten doorvoeren, onder meer wat marktliberalisatie, belastingen, monetair beleid en tegengaan van corruptie en omkoping betreft”, aldus de NRC.

Groeiende staatsschuld

Het is opvallend, zo vervolgt het artikel, dat toetreding tot de OESO niet betekent dat Costa Rica haar financiën op orde heeft. Al jaren bestaan zorgen over de groeiende staatsschuld. Dat komt onder andere door veel publieke uitgaven en investeringen in sectoren als technologie en onderwijs om aan de OESO-eisen te kunnen voldoen. Kredietbeoordelaars Moody’s en Fitch verlaagden dit jaar de kredietstatus van Costa Rica. Ook de al relatief hoge werkloosheid nam toe en schommelt nu rond de 12 procent. Desondanks heeft de OESO er blijkbaar vertrouwen in dat het land een aanwinst is als lid. In elk geval heeft het de corona-uitbraak relatief goed onder controle weten te houden.

Toch lijkt het een beetje aan enthousiasme te ontbreken in het nieuwsbericht waarmee de OESO op 15 mei dit jaar aankondigde dat Costa Rica haar 38e lid zou worden. Hoewel Costa Rica de afgelopen vijf jaar niet minder dan 22 verschillende ‘technische reviews’ met goed gevolg had doorstaan en een forse hoeveelheid interne fiscaal-economische hervormingen heeft doorgevoerd, ligt er nog een 19 pagina’s dikke (Engelstalige) routekaart naar het lidmaatschap. Pas als het land daaraan voldoet, kan de waarnemersstatus omgezet worden in lidmaatschap. Zo moet Costa Rica actiever worden om vervuiling te voorkomen en om openheid, vertrouwen en integriteit te garanderen.

Omdat president Carlos Alvarado Quesada zich persoonlijk verbonden heeft met het OESO-lidmaatschap, zal zijn land zich ongetwijfeld inzetten om in de nabije toekomst toe te treden. Alvarado’s voorganger Solís was inmiddels minder enthousiast over de OESO geworden, vooral vanwege de bemoeizucht van ‘Parijs’. En inderdaad, hoewel Costa Rica nog niet eens lid is en flink te lijden heeft onder de coronacrisis, waarschuwde de OESO volgens de Costa Ricaanse krant La Nación op 10 juni dit jaar dat het heel belangrijk is dat het land de staatsschuld omlaag brengt.

Trots en uitdagingen

Desondanks is er ook trots dat het land uitgenodigd is om lid van de OESO te worden, en wordt de noodzaak van het lidmaatschap gezien. Zo schreef Jeannette Ruiz Delgado (foto), president van de Nationale Bank, in La Nación van 1 juni dat verschillende voorgeschreven hervormingen echt cruciaal zijn en dat je nu eenmaal het meest leert van de besten. Daarnaast kan de voorgenomen toetreding van Costa Rica , waarvoor nog geen datum bekend gemaakt is, gezien worden als een beloning voor het gevoerde sociaaleconomische beleid en goed bestuur en als aansporing dienen voor andere landen in de regio. Volgens Costa Rica wegen de kosten van het lidmaatschap (naar rato van de grootte van de economie) duidelijk op tegen de baten die het land van lidmaatschap verwacht, maar andere geïnteresseerden hebben zich nog niet aangediend.

Misschien is dat laatste ook een gevolg van twee uitdagingen waar de OESO en haar lidstaten momenteel voor staan. In de eerste plaats staat de wereldhandel onder druk. Niet alleen vanwege de sterk verminderde vraag naar goederen en diensten vanwege de coronapandemie, maar ook omdat er naast Carlos Alvarado veel politieke leiders (en kiezers!) zijn die geloven in unilateralisme, tariefmuren en – laten we het beestje bij de naam noemen – ‘eigen volk eerst’ en weinig vertrouwen hebben in praatsessies en voorzichtige onderlinge afstemming.

Bovendien lijkt (of blijkt?) de OESO haar eigen nadruk op ‘goed bestuur’ en democratie niet altijd hard te kunnen maken. Om ons even tot Latijns-Amerika te beperken, Mexico is al sinds een jaar of vijftien in de greep van geweld met minstens 150.000 doden en ook 60.000 vermisten. Daarnaast is het land notoir gevaarlijk voor onder andere vrouwen en journalisten. Vaak zijn overheidsfunctionarissen betrokken bij ernstige misdrijven of doen ze aantoonbaar weinig of niks om deze misdrijven tegen te gaan. De vele maanden aanhoudende protesten tegen de regering in Chili vorig jaar, en in mindere mate in Colombia, geven aan dat in elk geval een groot deel van de bevolking de vermeende economische groei niet in de eigen portemonnee voelt.

In de woorden van de OESO zelf is het haar opdracht om “beleid uit te denken dat welvaart, gelijkheid, kansen en welzijn voor iedereen versterkt”, vooral door de economische taart groter te maken. Als een grotere taart echter niet leidt tot grotere porties voor iedereen of van goed bestuur duidelijk geen sprake is, moet de organisatie zich wellicht herbezinnen op haar beleid en procedures, ook om aantrekkelijk te blijven voor haar leden.

Bronnen o.a. OECD en La Nación

Gerelateerde berichten

Gaat het dan economisch toch de goede kant uit met Latijns-Amerika?  De regio en de OESO – Deel 1: Mexicaanse verrassingen

Gaat het dan economisch toch de goede kant uit met Latijns-Amerika? De regio en de OESO – Deel 1: Mexicaanse verrassingen

De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO, of OECD in het Engels) staat bekend als de ‘club van rijke landen’. Van oudsher stimuleert zij landen in met name het Noord-Atlantisch gebied hun sociaaleconomisch beleid op elkaar af te stemmen. Vrije handel wordt door de OESO niet alleen gezien als doel maar ook als middel om de economieën van de lidstaten te laten groeien en daarmee de welvaart van de inwoners te doen toenemen. Democratie en goed bestuur zijn voorwaarden voor ontwikkeling. Sinds het einde van de Koude Oorlog breidt de organisatie zich buiten het Noord-Atlantisch gebied vooral uit in Latijns-Amerika en werd Mexico als eerste ‘voormalige Derde Wereldland’ in 1994 volwaardig lid. In dit artikel wordt ingegaan op de achtergronden van de OESO en de toetreding van Mexico tot deze ‘eliteclub’.

Lees meer
agsdi-globe

Politiek & Maatschappij

agsdi-portrait

Kunst & Cultuur

agsdi-camera

Vrije tijd & Toerisme

agsdi-income

Economie & Ondernemen

agsdi-leaves

Milieu en Natuur

agsdi-learn

Onderzoek & Wetenschap

Blijf op de hoogte

Adverteren op onze website?

Dat kan! Tegen een scherp tarief plaatsen wij uw advertentie.

Ontvang onze nieuwsbrief

Schrijf u in en ontvang onze digitale nieuwsbrief met een overzicht van onze nieuwe artikelen.

Volg ons op social media

Wees als eerste op de hoogte van nieuwe artikelen en deel artikelen met uw netwerk.

Share This